ECLI:NL:PHR:2003:AF0225

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/080HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 426a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken dagvaarding en advocaat

Verzoeker was partij in een civiele procedure bij de kantonrechter en heeft tegen diens beslissing cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Uit de stukken blijkt echter niet tegen welke uitspraak het cassatieberoep is gericht, noch of het een dagvaardingsprocedure betreft of een beslissing op rekest. De Rechtbank weigerde het hoger beroep te behandelen omdat verzoeker niet door een procureur werd vertegenwoordigd. Het Gerechtshof wees de zaak terug naar de Rechtbank, die opnieuw weigerde de zaak in behandeling te nemen.

De Hoge Raad overweegt dat indien het cassatieberoep betrekking heeft op een dagvaardingsprocedure, het beroep bij dagvaarding had moeten worden ingesteld conform art. 407 lid 1 Rv Pro. De brief van verzoeker is geen dagvaarding. Indien het een beslissing op rekest betreft, had het verzoekschrift ondertekend moeten zijn door een advocaat bij de Hoge Raad conform art. 426a lid 1 Rv, wat niet het geval is.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de formele vereisten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een dagvaarding of een door een advocaat ondertekend verzoekschrift.

Conclusie

Rek.nr. R02/080HR
Mr. L. Strikwerda
Parket 1 nov. 2002
Conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Uit de brief d.d. 28 augustus 2002 met bijlagen waarmee verzoeker van cassatie (hierna: [verzoeker]) zich tot de Hoge Raad heeft gewend, blijkt het volgende. [Verzoeker] is als procespartij betrokken geweest in een civiele procedure voor een kantonrechter. Naar aanleiding van de beslissing van deze kantonrechter heeft [verzoeker] zich bij (ongedateerde) brief tot de Rechtbank te Amsterdam gewend. De Rechtbank heeft blijkens een brief van 23 juli 2001, afkomstig van de waarnemend griffier van de Rechtbank, geweigerd het hoger beroep te behandelen op de grond dat [verzoeker] niet door een procureur vertegenwoordigd werd. [Verzoeker] stelt dat hij hierop hoger beroep heeft aangetekend bij het Gerechtshof te Amsterdam en dat dit Hof de zaak heeft teruggewezen naar de Rechtbank. Volgens [verzoeker] heeft de Rechtbank vervolgens opnieuw geweigerd de zaak in behandeling te nemen.
2. Bij voormelde brief d.d. 28 augustus 2002 heeft [verzoeker] de Hoge Raad verzocht de beslissing van de kantonrechter te vernietigen.
3. [Verzoeker] kan in zijn cassatieberoep niet worden ontvangen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet waarop het onderhavige geschil betrekking heeft, tegen welke uitspraak van welke kantonrechter het cassatieberoep is gericht, en of de bestreden beslissing van de kantonrechter een dagvaardingsprocedure betreft dan wel is gegeven op rekest. De bestreden uitspraak is niet overgelegd. Indien aangenomen moet worden dat de bij de kantonrechter gevoerde procedure een dagvaardingsprocedure is, had het cassatieberoep ingevolge het bepaalde in art. 407 lid 1 Rv Pro bij dagvaarding moeten worden ingesteld. De voormelde brief d.d. 28 augustus 2002 is geen dagvaarding. Indien aangenomen moet worden dat de bestreden beslissing van de kantonrechter is gegeven op rekest, had het verzoekschrift ingevolge het bepaalde in art. 426a lid 1 Rv getekend moeten worden door een advocaat bij de Hoge Raad. De voormelde brief d.d. 28 augustus 2002 is niet getekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,