ECLI:NL:PHR:2003:AF0749
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling goede trouw bij afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling na strafrechtelijke veroordeling
De zaak betreft het cassatieberoep van een schuldenaar die na een strafrechtelijke veroordeling wegens ontucht met minderjarigen een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had ingediend. De rechtbank wees het verzoek af wegens gegronde vrees dat de schuldenaar zijn verplichtingen niet zou nakomen en wegens het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan van schulden. Het hof bevestigde deze afwijzing op grond van de facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288, lid 2, sub b Faillissementswet.
De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf van goede trouw in dit kader een gedragsmaatstaf is die niet beperkt is tot gedragingen in de financiële sfeer. Ook niet-financiële gedragingen kunnen financiële gevolgen hebben en daarmee relevant zijn voor de beoordeling van goede trouw. Het hof heeft geoordeeld dat de schuldenaar zich bewust was van de financiële gevolgen van zijn ontucht en daarmee niet te goeder trouw was.
Het cassatiemiddel dat stelt dat de afwijzing onterecht is omdat de schulden slechts een zijdelings gevolg zijn van niet-financieel gedrag, wordt verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat de gedragsmaatstaf ruimte laat voor een prognose op de toekomst. Daarnaast wordt opgemerkt dat het weigeren van schuldsanering in dit geval niet als een extra civiele straf moet worden gezien, maar dat de belangen van crediteuren en slachtoffers zwaar wegen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand, waarmee het verzoek tot schuldsanering wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.