ECLI:NL:PHR:2003:AF0750
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsmiddelenverbod bij ontbinding arbeidsovereenkomst en vergoeding
In deze zaak verzocht de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige reden, met toekenning van een vergoeding op grond van art. 7:685 BW Pro. De kantonrechter kende een vergoeding toe en ontbond de arbeidsovereenkomst. De werkgever ging in hoger beroep, dat werd verworpen, waarna cassatie werd ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad benadrukte het wettelijke rechtsmiddelenverbod voor ontbindingszaken op grond van art. 7:685 lid 11 BW Pro, dat hoger beroep en cassatie in principe uitsluit. Dit verbod kan slechts worden doorbroken bij klachten over schending van fundamentele rechtsbeginselen, zoals het recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling.
De klachten van de werkgever betroffen voornamelijk motiveringsgebreken en de belangenafweging van de kantonrechter, welke niet kwalificeren als schending van fundamentele rechtsbeginselen. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele afwijking in feitelijke vaststellingen of het niet ambtshalve aanvullen van rechtsgronden geen grond voor doorbreking vormt.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ontvankelijk maar ongegrond en verwierp het beroep, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand bleef. Hiermee werd bevestigd dat het rechtsmiddelenverbod strikt wordt toegepast, met slechts zeer beperkte uitzonderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werkgever wordt verworpen en de beschikking tot ontbinding en vergoeding blijft in stand.