ECLI:NL:PHR:2003:AF1273
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig instellen en verkeerde oproeping
In deze zaak staat de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal, waarbij verdachte werd opgeroepen voor een appelzitting met een oproeping die eigenlijk voor een andere verdachte bestemd was. De oproeping werd op 9 februari 2001 aan verdachte persoonlijk uitgereikt, maar betrof een andere zaak. Verdachte verscheen niet op de zitting van 27 maart 2001, waarna verstek werd verleend en het vonnis op 10 april 2001 werd gewezen.
De Hoge Raad onderzoekt of deze administratieve fout leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De conclusie is dat verdachte, die wist dat zij hoger beroep had laten instellen en door een ambtenaar werd bezocht met een verkeerde oproeping, had moeten begrijpen dat er beweging in haar zaak zat. Verdachte had zich moeten informeren bij het ressortsparket of het hof. Het nalaten hiervan leidt tot eigen schuld en procesnadeel.
Verder wordt overwogen dat het enkele overleggen van een verkeerde oproeping door verdachte niet voldoende is om nietigheid van de dagvaarding te rechtvaardigen, omdat dit niet controleerbaar is en misbruik in de hand kan werken. De Hoge Raad geeft daarmee de voorkeur aan niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Daarnaast worden andere middelen behandeld, waaronder de beoordeling van een bewijsmiddel en draagkrachtverweer, maar deze falen. Het arrest bevestigt het vonnis van de politierechter en het hof, en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens nalaten van verdachte zich te informeren over de oproeping.