ECLI:NL:PHR:2003:AF1277
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep en gevolgen van verkeerde oproeping in hoger beroep
In deze zaak staat centraal of het cassatieberoep ontvankelijk is gesteld, mede vanwege onduidelijkheden over de gemachtigde advocaat en een verwisseling van oproepingen voor de terechtzitting in hoger beroep. Verdachte ontving een oproeping die bestemd was voor een ander, wat leidde tot verstekverlening door het hof. Het cassatieberoep werd pas na deze verstekuitspraak ingesteld.
De Hoge Raad analyseert de formele vereisten voor het instellen van cassatie, waarbij wordt benadrukt dat een advocaat persoonlijk ter griffie moet verklaren bevoegd te zijn. Daarnaast wordt uitgebreid stilgestaan bij de gevolgen van de verkeerde oproeping. De Raad overweegt dat verdachte had moeten informeren naar de status van zijn zaak, ondanks de fout, en dat het niet verschijnen grotendeels aan hemzelf te wijten is.
Verder bespreekt de Hoge Raad diverse middelen van cassatie, waaronder de vermeende overschrijding van de gevorderde vervangende hechtenis. De Raad concludeert dat de vermeende discrepantie een vergissing betreft en verwerpt de middelen. Uiteindelijk strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van formele vereisten en het niet verschijnen van verdachte door eigen toedoen.