ECLI:NL:PHR:2003:AF1309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging en toetsing omgangsregeling tussen vader en minderjarig kind
In deze zaak staat de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind centraal. De vader had bij de rechtbank een omgangsregeling verzocht, die in 1999 werd vastgesteld met begeleiding van een maatschappelijk werkorganisatie. De moeder verzocht later wijziging van deze regeling, waarop de rechtbank haar verzoek niet ontvankelijk verklaarde en dwangsommen oplegde bij niet-nakoming.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen, waarbij het hof de eerdere beschikking deels vernietigde en wijzigde, onder meer door een proefomgangsregeling in te stellen en uiteindelijk een weekendregeling vast te stellen. De vader kwam tegen deze hofbeschikkingen in cassatie. De Hoge Raad onderzocht onder meer de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, de toepasselijkheid van overgangsrecht, en de motivering van het hof bij de wijziging van de omgangsregeling.
De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld, maar dat de vader niet-ontvankelijk is voor het beroep tegen een tussenbeschikking en voor zover de omgangsperiode inmiddels is verstreken. De klachten over motiveringsgebreken falen grotendeels, hoewel het hof onvoldoende heeft gemotiveerd of de vernietiging van de dwangsombeschikking ook de executietitel betreft. De Hoge Raad wijst op het belang van het kind en de discretionaire bevoegdheid van de rechter bij het verbinden van dwangmiddelen aan omgangsregelingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt en verwijst de zaak voor verdere behandeling, wijst het cassatieberoep tegen de tussenbeschikking af wegens gebrek aan belang en bevestigt de ontvankelijkheid van het beroep tegen de eindbeschikking.