ECLI:NL:PHR:2003:AF1568
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verstekverlening bij niet-naleving EG-betekeningsverordening in cassatieprocedure
In deze cassatiezaak stond centraal of verstek kon worden verleend tegen een verweerder die woonachtig is in een andere lidstaat, terwijl de dagvaarding slechts overeenkomstig art. 63 lid 1 Rv Pro was betekend, zonder dat de vereiste verzending volgens de EG-betekeningsverordening had plaatsgevonden. De Hoge Raad benadrukte dat de betekening overeenkomstig de EG-betekeningsverordening noodzakelijk is voor een geldige dagvaarding en dat de datum van betekening volgens deze verordening bepalend is voor de beoordeling van de tijdigheid van het beroep.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie onder het Haags Betekeningsverdrag, waarin een vangnet werd gecreëerd voor situaties waarin de dagvaarding aan de procureur van de vorige instantie was betekend, maar stelde dat een dergelijk systeem niet zonder meer toepasbaar is onder de EG-betekeningsverordening. De Raad benadrukte dat verzending naar het buitenland binnen een redelijke termijn na de betekening op grond van art. 63 lid 1 Rv Pro moet plaatsvinden, waarbij een termijn van circa twee weken verdedigbaar wordt geacht.
De zaak werd aangehouden en de Hoge Raad stelde voor om een nieuwe zittingsdatum vast te stellen, waarbij de eiseres de verweerder opnieuw kan oproepen met inachtneming van de voorschriften van de EG-betekeningsverordening. Tevens werd opgemerkt dat toekomstige zaken mogelijk een strengere naleving van de termijn zullen vereisen en dat prejudiciële vragen kunnen worden gesteld indien het nationale systeem de verordening dreigt te ondermijnen.
Uitkomst: Verstek wordt geweigerd tegen de buitenlandse verweerder totdat de dagvaarding correct is betekend volgens de EG-betekeningsverordening; een nieuwe zittingsdatum wordt vastgesteld.