ECLI:NL:PHR:2003:AF1887
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat werkgever overhevelingstoeslag niet kan terugvorderen van werknemer
Deze zaak betreft vorderingen van werknemers die werkzaam waren op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat tussen 1989 en 1992, en die de door werkgevers betaalde overhevelingstoeslag hebben terugbetaald maar deze nu weer terugvorderen. De kern van het geschil is dat werknemers in die periode niet verzekerd waren op grond van de volksverzekeringen, terwijl partijen aanvankelijk dachten van wel. Werkgevers betaalden daarom een overhevelingstoeslag aan werknemers, die premies betaalden en later terugvorderden van de belastingdienst. Werkgevers stelden dat zij deze toeslag terug mochten vorderen van werknemers.
De Hoge Raad bevestigt dat de arbeidsovereenkomst een leemte vertoont die billijkheidshalve moet worden aangevuld met een verplichting van de werkgever om een bedrag gelijk aan de overhevelingstoeslag aan de werknemer te betalen. Dit betekent dat de werkgever geen recht heeft op terugvordering van de toeslag, ook niet op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de terugbetaling door de werknemer onverschuldigd was.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het enkel ondertekenen van een schuldbekentenis door de werknemer niet zonder meer betekent dat er een overeenkomst tot terugbetaling is gesloten, zeker niet als de werknemer dit deed om een belastingformulier te verkrijgen. De werkgever had zich met redelijke zorgvuldigheid moeten vergewissen van de wil van de werknemer, wat niet is gebeurd. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt verworpen en de terugvordering van de overhevelingstoeslag wordt afgewezen.