ECLI:NL:PHR:2003:AF1965
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing gedoogbeleid bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel softdrugs
In deze zaak staat centraal de vraag of inkomsten uit de verkoop van softdrugs binnen de grenzen van het gedoogbeleid als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt en ontnomen. Het hof had geoordeeld dat de kleinhandel binnen de AHOJ-G-criteria viel en dat deze opbrengsten daarom buiten toepassing van artikel 36e Wetboek van Strafrecht vielen.
De Hoge Raad bevestigt dat het gedoogbeleid, zoals vastgelegd in richtlijnen uit 1976, 1994 en 1996, mede bepalend is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de handel in softdrugs. Hoewel het hof het beleid niet volledig had betrokken op de gemeente Best, is het oordeel dat kleinhandel binnen de gedoogcriteria valt niet onbegrijpelijk. Tevens is vastgesteld dat onvoldoende bewijs bestond dat de grenzen van het gedoogbeleid waren overschreden.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het terug te betalen bedrag ten onrechte met een derde werd verminderd. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor wat betreft de hoogte van de terug te betalen ontnemingssom en zal zelf het bedrag bepalen aan de hand van de maatstaf uit een eerder arrest van 9 januari 2001.
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een ontnemingsvordering na bewezenverklaring van handel in softdrugs, waarbij het gedoogbeleid en de redelijke termijn centraal stonden. De Hoge Raad bevestigt de toepassing van het gedoogbeleid bij de beoordeling van wederrechtelijk verkregen voordeel en corrigeert het hof in de strafrechtelijke procedure.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor wat betreft de hoogte van het terug te betalen bedrag en bevestigt dat kleinhandel binnen het gedoogbeleid niet als wederrechtelijk verkregen voordeel geldt.