1 Zie Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad (2000), p. 57/8 en Asser-Hartkamp 4-III (2002), nr. 14.
2 Sieburgh a.w., p. 16.
3 Vgl. het genoemde arrest HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621 (tennisbal), waarin is geoordeeld dat het slaan van ballen over het net tussen de games door ook een handeling is die plaats vindt in het kader van de sportbeoefening.
4 Zie Van Dam, Risico-aanvaarding "afgeschaft": onrechtmatigheid bij sportbeoefening, NTBR 1992, p. 112/3. Hij merkt op dat binnen de voor sport en spel geldende lichte norm kan worden gevarieerd.
5 Vgl. Hijma, noot bij HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300 onder 5 en 6, die het belang van de bijzondere context benadrukt. Zie ook Schoordijk, De normen van maatschappelijke betamelijkheid in sport en spel, WPNR 6023 (1991), p. 726 die spreekt over het recht van de subculturen en Roelvink, Omgestoten wijnglazen en andere ongelukjes, in: CJHB (Bundel Brunner, 1994), p.331/2 die schrijft dat de mate van zorgvuldigheid die mag worden verlangd afhangt van de specifieke situatie.
6 Zie HR 9 december 1994, NJ 1996, 403 m.nt. CJHB (zwiepende tak), waarin de Hoge Raad (in afwijking van A-G De Vries Lentsch-Kostense die in de conclusie onder 7 betoogt dat in gevallen als de onderhavige verschillend kan worden gedacht over de vraag of wel of niet een groter risico is genomen dan redelijkerwijs verantwoord was, maar dat het oordeel van de feitenrechter als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst) het arrest van het hof vernietigde omdat het hof niet had onderzocht of de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als het onderhavige (...) zo groot was dat Werink zich, naar de eisen van de hem jegens Hudepohl betamende zorgvuldigheid, van het geven van die schop had behoren te weerhouden. Omdat omtrent de toedracht van het ongeval overigens onvoldoende was gesteld en/of komen vast te staan, achtte de Hoge Raad de vordering van Hudepohl niet voor toewijzing vatbaar en bekrachtigde hij het afwijzende vonnis van de rechtbank. Zie op vergelijkbare wijze HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300 m.nt. JH (verhuizende zusjes). Mijn conclusie strekte tot verwerping, op de grond dat het hof niet blijk had gegeven van een verkeerde rechtsopvatting nu het het juiste criterium tot uitgangspunt had genomen en de beslissing sterk met de beoordeling van de feiten van het geval was verweven, zodat zij zich voor het overige slechts voor een beperkte cassatiecontrole leende. De Hoge Raad oordeelde wederom anders. Het hof had de geldende maatstaf miskend, omdat het op grond van de vaststaande feiten niet tot een andere conclusie had kunnen komen dan dat hier sprake was geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De in het geding zijnde gedraging maakte een ongeval als het onderhavige niet onder alle omstandigheden zodanig waarschijnlijk dat Monique zich naar de eisen van de haar jegens Wendy betamende zorgvuldigheid daarvan had behoren te onthouden.
7 Verhuizende zusjes: volgens de rechtbank onrechtmatige daad, volgens het hof onrechtmatige daad met 50% eigen schuld; zwiepende tak: volgens de rechtbank geen onrechtmatige daad, volgens het hof onrechtmatige daad.
8 Zie in vergelijkbare zin Brunner, noot bij HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 onder 3, die betoogt dat indien iedere overtreding van de spelregels een onrechtmatige daad zou opleveren, "de organisatie van wedstrijden en het deelnemen daaraan ongeoorloofd (zou) zijn, wegens het grote aantal onrechtmatige daden dat voorzienbaar en onvermijdelijk daarbij wordt gepleegd."
9 Zie ook Hijma, noot bij HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300 (verhuizende zusjes) onder 4 en 5.
10 Zie Hartlief & Tjittes, Het spel en de knikkers, VR 1992, p. 58/9, die hierbij de "in pari delicto"-gedachte betrekken, en Sieburgh a.w., p. 55.
11 De overweging van de Hoge Raad die zich concentreert op de beperkte mate van waarschijnlijkheid van het ongeval (r.o. 3.4 en 3.6), vind ik dan ook niet erg overtuigend.
12 Vgl. HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 m.nt. CJHB resp. Schoordijk, De normen van maatschappelijke betamelijkheid in sport en spel, WPNR 6022 (1991), p. 706.
13 HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621, m.nt. CJHB (tennisbal).
14 Zie HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300 (verhuizende zusjes) en in het bijzonder de noot van Hijma onder 4 en 5.
15 Uiteraard ben ik van mening dat "gemene overtredingen" (zoals in HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622, m.nt. CJHB, natrap) ook onder deze verruiming onrechtmatig zijn. Deze gedragingen kunnen partijen wellicht over en weer van elkaar verwachten, maar zij zijn normaal noch redelijk.
16 Die mijns inziens is gekozen in HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621, m.nt. CJHB: "... terwijl een dergelijke gedraging niet onzorgvuldig wordt op de enkele grond dat zij door een ongelukkige samenloop van omstandigheden tot gevolg heeft dat een der deelnemers ernstig letsel oploopt." Anders dan in de op dit arrest volgende jurisprudentie is de formulering "ongelukkige samenloop van omstandigheden" hier niet gebruikt om een gedraging te kenmerken.
17 Sieburgh, a.w., p. 17, Hijma, noot bij HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300 onder 3. Anders Van Dam, Het zinledige osvo-"criterium", VR 2001, p. 139-142.