ECLI:NL:PHR:2003:AF3290
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking toepassing geruisloze omzetting bij overdracht onderneming aan derde
Belanghebbende X bracht zijn eenmanszaak in 1997 in een eigen BV in, met het doel gebruik te maken van de geruisloze overgang zoals bedoeld in artikel 18 Wet Pro IB 1964. De Inspecteur weigerde toepassing van deze regeling omdat de inbreng onderdeel was van een reeks rechtshandelingen gericht op de overdracht van een wezenlijk deel van de onderneming aan derden.
Het Gerechtshof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de inbreng inderdaad deel uitmaakte van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak met het argument dat artikel 18 Wet Pro IB 1964 niet van toepassing zou zijn indien slechts een gedeelte van de onderneming werd overgedragen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en stelde dat artikel 18 Wet Pro IB 1964 niet alleen buiten toepassing blijft bij overdracht van de gehele onderneming, maar ook bij overdracht van een wezenlijk deel daarvan. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het ontbreken van een oogmerk tot misbruik niet relevant is voor de toepassing van artikel 18. De uitspraak benadrukt dat de regeling bedoeld is om omzetting zonder belastingheffing mogelijk te maken, maar niet om overdracht aan derden te faciliteren.
In de bijlage bij de conclusie wordt uitgebreid ingegaan op de relevante wetsartikelen, beleidsregels en eerdere jurisprudentie, waaronder arresten uit 1997 en 2001, die de reikwijdte van artikel 18 Wet Pro IB 1964 en de aftrekbaarheid van lijfrentepremies bij overdracht aan eigen BV's verduidelijken. De Hoge Raad maakt een onderscheid tussen overdracht gevolgd door doorverkoop aan derden en reële gevallen van voortzetting binnen concernverband.
Deze uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van de geruisloze overgang en onderstreept het belang van het objectief beoordelen van de aard van rechtshandelingen bij omzetting van ondernemingen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; artikel 18 Wet IB 1964 is niet van toepassing op de inbreng van de onderneming in de BV omdat deze deel uitmaakt van rechtshandelingen gericht op overdracht aan derden.