5) Bij tussenarrest van 8 juni 1999 heeft het hof een comparitie van partijen gelast voor een onderzoek naar de gang van zaken met betrekking tot de afspraken die [A] heeft gemaakt over de regresvordering met de curator. Nadat de comparitie op 8 oktober 1999 heeft plaatsgevonden, heeft het hof bij eindarrest van 17 april 2001 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en de vordering van [A] toegewezen. Daartoe overwoog het hof, voor zover in cassatie relevant, als volgt.
Volgens het hof bestaat er geen aanleiding om de vordering van [A] af te wijzen op de grond dat [A] de oorspronkelijke concernbedoeling dient te eerbiedigen en dat zij in strijd met de goede trouw of de redelijkheid en billijkheid handelt door regres te nemen op de o.g.-maatschappijen (r.o. 3). Tot dit oordeel is het hof gekomen op grond van de volgende overwegingen.
De stelling van de o.g.-maatschappijen dat [C] mede namens [A] het verzoek tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid heeft gedaan, wordt door het hof afgewezen, nu niet is gebleken dat [C] [A] destijds op de hoogte heeft gesteld van dit verzoek. Evenmin is volgens het hof gebleken dat [A] destijds heeft ingestemd en afstand heeft gedaan van haar regresrecht op de o.g.-maatschappijen. Van een vertegenwoordiging is ten processe ook niets gebleken. Zulks komt het hof ook niet waarschijnlijk voor, nu in de procedure duidelijk is geworden dat een en ander destijds over het hoofd gezien is (r.o. 2.4).
Daarnaast geldt, aldus vervolgt het hof, dat de regresaansprakelijkheid ziet op de rechtsverhouding tussen de hoofdelijk verbonden schuldenaren onderling. Op grond van art. 1330 (oud) BW ligt het niet in de macht van de schuldeiser een regresplichtige schuldenaar van zijn regresplicht te bevrijden ten laste van zijn medeschuldenaren; de vier o.g.-maatschappijen worden derhalve door het ontslag uit de hoofdelijkheid jegens de NIB nog niet bevrijd van de verplichting tot bijdragen jegens de medeschuldenaar [A]. De omstandigheid dat er bij de overdracht van de o.g.-maatschappijen garanties zijn verleend en het feit dat er een verzoek tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid door [C] is gedaan, brengt gezien het voorgaande - aldus het hof - niet mee dat [A] gehouden is af te zien van een haar toekomend regresrecht (r.o. 2.5).
De omstandigheid dat [C] en [E](5) bedoeld hebben bij de overdracht in november 1983 alle financiële kruisverbanden met de vier o.g.-maatschappijen door te snijden, de omstandigheid dat bij de waardebepaling der aandelen destijds geen rekening is gehouden met een mogelijk interne verhaalsvordering van medeverbonden vennootschappen en de omstandigheid dat met deze aandelenoverdracht het gehele [C]-concern een financiële injectie kreeg van f. 12 miljoen, waarmee de kernactiviteiten van het concern levensvatbaar gehouden of gemaakt werden, staat naar het oordeel van het hof evenmin aan de uitoefening van het regresrecht in de weg, nu niet is gebleken dat [A] zulks óók beoogd heeft of daarmee heeft ingestemd. [A] kan op grond van deze feiten ook niet geacht worden daarmee te hebben ingestemd (r.o. 2.6).
Daarnaast heeft het hof uit de overgelegde stukken geenszins een indicatie gekregen dat de keuze van de curator voor het 'vehikel [A]', zoals de o.g.-maatschappijen hebben betoogd, slechts een opzetje van hem was en ingegeven werd door de gedachte dat hij namens [C] zelf dit voordeel niet zou kunnen binnenhalen voor de boedel. De o.g.-maatschappijen zien er volgens het hof kennelijk aan voorbij dat de curator niet alleen optreedt namens [C] of de failliete vennootschappen in het concern, maar ook namens en ter behartiging van de belangen van de schuldeisers. Hem kan niet verweten worden dat hij in de onderhandelingen met [A] heeft gewezen op deze interne regresvordering en dat hij dit onderdeel van het vermogen van [A], dat in zijn visie een reële waarde vertegenwoordigde, alsnog te gelde heeft gemaakt in het belang van de boedel. Het hof meent dat van de curator niet verlangd kon worden dat hij, in navolging van de bedoeling van [C] zelf in 1984, zou afzien van enig initiatief of [A] zou bewegen alsnog af te zien van iedere regresvordering ten laste van de o.g.-maatschappijen (r.o. 2.9). Ook in zoverre komt uitoefening van de regresvordering volgens het hof dus niet in strijd met de goede trouw of de redelijkheid en billijkheid.
Ten aanzien van de vraag naar de draagplicht van [A] respectievelijk van de o.g.-maatschappijen is het hof van oordeel dat ervan uitgegaan dient te worden dat een krediet of financiering verleend aan de houdstermaatschappij van een tot een concern behorend samenstel van vennootschappen met het doel om de binnen dat concern te verrichten activiteiten te ondersteunen, in beginsel geacht moet worden direct of indirect ten voordele van alle onderdelen van dat concern te strekken, tenzij blijkt van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarbij is voor de vraag of de daaruit voortvloeiende schuld aan de financier een vennootschap aangaat niet zozeer van belang of deze vennootschap daadwerkelijk het krediet voor de eigen activiteiten heeft aangesproken, maar of zij geacht moet worden, deel uitmakend van het concern, direct of indirect toegang tot dat krediet te hebben verkregen en of dat krediet haar in die zin ten goede is gekomen. Door de beschikbaarheid van het krediet binnen het concern kan immers ook indirect geprofiteerd worden, bijvoorbeeld indien door financiële injecties van buiten af in andere onderdelen van het concern kan worden geïnvesteerd, bepaalde activiteiten kunnen worden uitgebreid of andere onderdelen van het concern daarmee levensvatbaar worden gehouden en daardoor de eigen gegenereerde winsten voor andere doeleinden kunnen worden benut (r.o. 4.4).
Het moment waarnaar beoordeeld moet worden of een bepaalde schuld een vennootschap in het concern aangaat, is volgens het hof het moment van het aangaan van de schuld (r.o. 4.5). In dat verband overweegt het hof dat het door de NIB in mei/juni 1982 verstrekte krediet van f. 10 miljoen deel uitmaakte van een financiering van f. 35 miljoen die met het oog op de voorgenomen investeringen binnen het concern noodzakelijk was. Naast het door de NIB verstrekte krediet, werd daarvoor ook
f. 15 miljoen uit eigen middelen en steunfondsen gegenereerd en werd f. 10 miljoen uit een langlopende lening van handelsbanken verkregen. Voorts stelt het hof dat de o.g.-maatschappijen en [A] ten tijde van het aangaan van de financieringstransactie met de NIB deel uit maakten van het concern en [C] met al haar Nederlandse vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk werd gehouden voor de nakoming van de verplichtingen uit deze transactie. Uit de gepresenteerde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof in dit geval de onderlinge verhouding tussen de hoofdelijk verbonden medeschuldenaren niet vast te stellen, zodat, bij gebrek aan bewijs voor het tegendeel, op grond van de beginselen van goede trouw en solidariteit welke die onderlinge verhouding tussen de medeschuldenaren beheersen, aangenomen moet worden dat deze concernfinanciering alle partijen in het geding in voormelde zin aanging, en wel in gelijke mate (r.o. 4.5). Beide partijen, [A] enerzijds en de o.g.-maatschappijen anderzijds, zijn derhalve draagplichtig en bevinden zich ten aanzien van de schuld in dezelfde positie (r.o. 4.6).
Ten aanzien van het betoog van de o.g.-maatschappijen dat [A] met de afkoop van de NIB-schuld ten bedrage van f. 2 miljoen niet meer heeft betaald dan haar aandeel in de schuld en dat haar daarom geen regresrecht op de o.g.-maatschappijen meer toekomt, heeft het hof geoordeeld dat, afgezien van het feit dat de o.g.-maatschappijen niet hebben gesteld welk aandeel [A] in de schuld zou hebben, niet valt in te zien dat [A] een meer of minder aandeel in de schuld zou hebben dan de o.g.-maatschappijen. De afsplitsing van de o.g.-maatschappijen van het [C]-concern brengt volgens het hof geen wijziging in het aandeel in de schuld zoals oorspronkelijk aangegaan, althans daarvan is niets gebleken. Dat bij de schikkingsonderhandelingen tussen [A] met de NIB nog geen rekening was gehouden met dit regresrecht doet daaraan niet af. Niet valt in te zien dat de o.g.-maatschappijen daardoor zijn benadeeld en dat zulks in de weg zou staan aan uitoefening van het regresrecht, aldus besluit het hof (r.o. 4.9).