1 Zie rov. 1 van het bestreden arrest in samenhang met rov. 1 van het tussenvonnis van de Rechtbank te Leeuwarden in de eerste aanleg van 29 oktober 1997.
2 Deze feiten heb ik ter verduidelijking overgenomen uit het onderzoeksverslag van G.E. Bod (zoals nader aangeduid in de in alinea 4 hierna weergegeven rechtsoverwegingen van het hof), p. 3-4.
3 Cassatieberoep verworpen bij HR 8 april 1998, JOR 1998, 133 m.nt. Van Solinge en TVVS 1998, p. 144 e.v.
4 SCC heeft incidenteel geappelleerd.
5 Het middel bestrijdt niet, dat alleen de uit dit wetsartikel blijkende norm aan de vorderingen van SCC ten grondslag is gelegd.
6 Namens SCC wordt in dit verband als "leading case" aangemerkt HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Ma, zie i.h.b. rov. 3.3.1. Daarnaast valt te wijzen op HR 11 juni 1999, NJ 1999, 586, rov. 3.4, HR 10 december 1999, NJ 2000, 6, rov. 3.2 en HR 29 november 2002, RvdW 2002, 195, rov. 3.4.5.
7 Ik noem als voorbeelden Dorhout Mees, Kort Begrip van het Nederlands Handels- en Faillissementsrecht, 1971, nrs. 4.208 en 4.241; Molengraaff c.s., Leidraad bij de beoefening van het Nederlandse Handelsrecht, 1953, p. 284; Völlmar, Het Nederlands Handelsrecht, 1953, nr. 166.
8 Parlementaire Geschiedenis van het Nieuw BW, boek 2, p. 436 (zie ook p. 138 en p. 541).
9 Het gedrag van de bestuurders dat in HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Ma ter beoordeling stond werd bijvoorbeeld als ernstig verwijtbaar aangemerkt, terwijl dat gedrag toch, ook bij ruime uitleg, moeilijk onder de kwalificaties van "opzet of bewuste roekeloosheid" kan worden gebracht.
10 Enkele verzonnen voorbeelden: de bestuurder heeft door onachtzaamheid verzuimd een voor de rechtspersoon essentiële verzekering te verlengen, waardoor een grote schade voor rekening van de rechtspersoon blijft; de bestuurder maakt een ernstige verkeersfout, met grote schade voor de rechtspersoon als gevolg; de bestuurder laat zich tegen beter weten in overhalen om een reeds op fraude betrapte employé nog een kans te geven, en de employé misbruikt die kans op grove wijze. Naar zich op goede gronden laat verdedigen zijn dit "onmiskenbare" tekortkomingen - maar of die ook (ernstig) verwijtbaar zijn betwijfel ik zeer.
11 In de laatstgenoemde vindplaats wordt verdedigd dat het criterium "ernstig verwijt" aansluit bij het criterium "(opzet of) bewuste roekeloosheid". Dit lijkt mij bepaald onaannemelijk. Daarmee strookt, dat in HR 10 december 1999, NJ 2000, 6, rov. 3.2 beide criteria van elkaar worden onderscheiden; zie ook Van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 2001, nr. 47.
12 Als de Asser-serie: Van der Grinten c.s., Arbeidsovereenkomstenrecht, 2002, p. 222; Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, diss. 1998, p. 65 e.v., zie ook p. 280 e.v.; Van Hees in "Financiering en aansprakelijkheid", 1994, p. 1 - 2.
13 Rechtspersonen (losbl.), Huizink, art. 9, aant. 4 en 4a; Van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 2001, nr. 47; Sanders - Westbroek c.s., BV en NV, 1998, p. 165 - 166; Van Solinge, oratie 1997 (bewerkt in: Drie Nijmeegse redes, 1998), p. 41 - 42. Van vóór het arrest van 10 januari 1997, maar volgens mij nog de moeite van kennisneming waard: Glasz, Enige beschouwingen over zinvol commissariaat, diss. 1995, p. 40 e.v.
14 Ik denk dat de kwalificaties die ik in dit verband gebruik mede worden ingegeven door het feit dat het hier te beoordelen gedrag bepaald laakbaar is als men de betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuurder van een motorrijtuig beoordeelt, maar dat men geneigd is te denken dat de laakbaarheid,beoordeeld vanuit de hoedanigheid van bestuurder van een rechtpersoon, niet met dezelfde strengheid mag worden beoordeeld. Een slecht autobestuurder kan een goede rechtspersoon-bestuurder zijn.
15 In dit verband valt er op te wijzen dat ook in de lagere rechtspraak wel aansprakelijkheid aan de hand van "ernstige verwijtbaarheid" is aangenomen onder omstandigheden die ogenschijnlijk niet aan de norm van "onverantwoord" of "misbruik", dan wel van "geen redelijk oordelend ondernemer" zoals het hof die in deze zaak heeft gehanteerd, zouden hebben beantwoord; zie bijvoorbeeld Hof 's Gravenhage 7 oktober 1997, JOR 1997, 141, rov. 6.3; Rechtbank 's Gravenhage 4 maart 1998, JOR 1998, 74 m.nt. Groffen, rov. 4.3 - 4.5; Rechtbank Rotterdam 17 juni 1999, JOR 1999, 244 m.nt. Van den Ingh, rov. 3.9b (i.h.b. onder XI, slot).
16 Zie bijvoorbeeld Bakels c.s., Schets van het Nederlands arbeidsrecht, 2000, p. 107; Arbeidsovereenkomst (losbl.), Van der Heijden, art. 7:661, aant. 1. Dat hier overigens in de loop der tijd een kentering in de algemeen aanvaarde standpunten valt te constateren, vergelijkbaar met die die ook uit de oudere en recentere literatuur over de aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen blijkt, wordt bijvoorbeeld duidelijk zichtbaar aan de hand van de Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe BW, boek 6, p. 724 en p. 728.
17 A-G Mok in zijn conclusie (nr. 6.4.6.2) voor HR 21 december 2001, RvdW 2001, 6 (Sobi/Hurks). Aan de vindplaatsen die A-G Mok in zijn conclusie noemt (voetnoot 72) zijn toe te voegen HR 8 februari 2002, NJ 2002, 196; HR 18 januari 2002, NJ 2002, 96; HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 94 m.nt. Ma; HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Ma en HR 14 november 1997, NJ 1998, 270 m.nt. Ma.
18 Daarbij is nog op te merken dat SCC zich hier mede beroept op een postinterlocutoire akte van 3 februari 1999. Dit stuk is echter pas genomen ná het interlocutoire vonnis waartegen het door het hof beoordeelde appel gericht was (partijen hebben namelijk hangende dit appel doorgeprocedeerd bij de rechtbank (een gegeven waarvan het hof blijkens de eerste rov. van het bestreden arrest wel op de hoogte was)). Deze akte wordt niet vermeld bij de stukken in de inventarissen van de Memorie van Grieven en de Memorie van Antwoord (en voorzover ik kon beoordelen ook niet elders in de stukken van het appel). Ik ga er daarom van uit dat het hof van deze akte geen kennis mocht nemen, of minstgenomen daar geen kennis van hoefde te nemen.
19 In een mondeling debat, weergegeven in "Rechtspleging in het ondernemingsrecht" 1997, p. 201 - 202, lijkt Asser een wat krachtiger prejudiciërend effect aan een beslissing van de ondernemingskamer toe te kennen, dan overigens pleegt te worden aangenomen. Ik wijs daarnaast nog op: Geerts, TVVS 1997, p. 186. Er zijn de nodige vindplaatsen waarin bezorgdheid wordt uitgesproken over het prejudiciërend effect van beslissingen van de ondernemingskamer op de beoordeling van aansprakelijkheid door de (burgerlijke) rechter. Nu in het onderhavige geval klaarblijkelijk niets van een dergelijk effect kan worden vastgesteld, meen ik aan deze discussie voorbij te kunnen gaan.