ECLI:NL:PHR:2003:AF3433
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat opzegging werknemer niet kennelijk onredelijk is
De zaak betreft een werknemer die sinds 1994 bij First Data werkte als softwaredeskundige en eind 1997 aangaf te willen vertrekken. Hij zegde de arbeidsovereenkomst op met inachtneming van een opzegtermijn, maar meldde zich vervolgens ziek en verrichtte geen werkzaamheden meer. First Data stelde dat het vertrek kennelijk onredelijk was vanwege de grote problemen die ontstonden door het plotselinge vertrek, omdat er geen vervanging was ingewerkt.
De kantonrechter wees de vorderingen van First Data af en de rechtbank bekrachtigde dit oordeel. De rechtbank vond dat First Data, na de mededeling van de werknemer eind 1997, actie had kunnen ondernemen om de gevolgen van het vertrek te ondervangen, maar dat zij dit had nagelaten. Ook werd meegewogen dat de werknemer aanvankelijk een opzegtermijn in acht nam, maar door ziekte niet kon inwerken.
First Data ging in cassatie, maar de Hoge Raad verwierp de middelen. De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van de rechtbank begrijpelijk was en dat het oordeel dat de opzegging niet kennelijk onredelijk was, stand hield. Het feit dat First Data na de opzegging alsnog personeel aannam, maar onvoldoende tijd had om in te werken, deed hieraan niet af. De Hoge Raad concludeerde dat de werkgever al eerder actie had kunnen ondernemen, maar dat had nagelaten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de opzegging door de werknemer niet kennelijk onredelijk is en wijst de vorderingen van First Data af.