ECLI:NL:PHR:2003:AF4146
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 6 lid 2 EVRM op ontnemingsprocedure en gevolgen voor bewijs van soortgelijke feiten
De zaak betreft de beoordeling van de toepassing van artikel 6 lid 2 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) op de Nederlandse ontnemingsprocedure. De Hoge Raad onderzoekt of het mogelijk is om wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen op grond van soortgelijke feiten waarvoor de verdachte in de strafzaak is vrijgesproken.
Het Hof had voordeel ontnomen op basis van soortgelijke feiten, ondanks vrijspraak in de strafzaak, omdat er volgens het Hof voldoende aanwijzingen waren dat de verdachte deze feiten had begaan. De Hoge Raad stelt dat dit in strijd is met de onschuldpresumptie zoals beschermd door art. 6 lid 2 EVRM Pro, omdat het uiten van verdenkingen na een definitieve vrijspraak niet is toegestaan.
De Hoge Raad vergelijkt de Nederlandse ontnemingsprocedure met de Engelse confiscation order en bespreekt relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaronder de zaken Phillips, Minelli, Sekanina, Rushiti en Böhmer. Uit deze jurisprudentie volgt dat verdenkingen na een definitieve vrijspraak niet geoorloofd zijn en dat het ontnemen van voordeel op basis van soortgelijke feiten waarvoor vrijspraak is verleend, de onschuldpresumptie schendt.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde berechting. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de toepassing van art. 36e lid 2 Sr beperkt moet blijven tot feiten waarvoor geen vrijspraak is verleend, en dat officieren van justitie hun tenlastelegging zorgvuldig moeten formuleren om bewijsproblemen te voorkomen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd vanwege schending van art. 6 lid 2 EVRM en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.