ECLI:NL:PHR:2003:AF4207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen schriftuur middelen van cassatie
De verdachte was door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf voor moord en doodslag, terwijl hij werd vrijgesproken van een andere tenlastelegging. Tegen dit vonnis stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Volgens artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering werd de verdachte rechtsgeldig aangemaand om binnen twee maanden na betekening een schriftuur met middelen van cassatie in te dienen.
De termijn voor het indienen van deze schriftuur eindigde op 23 juni 2002, maar namens de verdachte werd geen schriftuur ingediend. Hierdoor is verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Middelen van cassatie die namens benadeelde partijen werden voorgesteld, konden niet worden behandeld omdat benadeelde partijen geen zelfstandige bevoegdheid hebben tot het instellen van cassatieberoep.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van het gerechtshof standhoudt en de straf en vorderingen ongewijzigd blijven.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur met middelen van cassatie.