AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt bindende werking overeenkomst over naheffingsaanslagen en verjaring invordering
Op 2 februari 1990 sloot de belastingplichtige een overeenkomst met de Inspecteur der Omzetbelasting waarin de totale naheffingsaanslagen werden verminderd en definitief vastgesteld. De belastingplichtige accepteerde hiermee de aanslagen en stemde ermee in geen bezwaar of beroep meer aan te tekenen tegen nog te nemen beschikkingen.
Later vorderde de ontvanger een bedrag van de belastingplichtige, die dit betwistte en tevens meerdere reconventionele vorderingen instelde, waaronder een vordering uit onverschuldigde betaling wegens vermeende verjaring van een naheffingsaanslag. De rechtbank wees deze vordering af omdat de overeenkomst bindend was en de belastingplichtige zich niet meer kon beroepen op verjaring.
Het hof bevestigde dit oordeel in een tussenarrest en stelde dat de overeenkomst met de inspecteur ook gevolgen had voor de invordering door de ontvanger, waardoor het recht om zich op verjaring te beroepen was verwerkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de belastingplichtige en bevestigde dat de overeenkomst met de inspecteur mede gevolgen heeft voor de rechtspositie jegens de ontvanger, waardoor een beroep op verjaring achteraf niet meer mogelijk is. Het beroep werd daarmee verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de belastingplichtige wordt verworpen; de overeenkomst met de inspecteur sluit een beroep op verjaring uit.
Conclusie
Nr. C 01/355
Eerste Kamer
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
MR. J.W. ILSINK
ADVOCAAT-GENERAAL
Conclusie van 7 februari 2003 inzake:
[eiser]
tegen
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN TE 'S-GRAVENHAGE
1. Feiten en procesverloop
1.1. Op 2 februari 1990 hebben de Inspecteur der Omzetbelasting te Rijswijk, mr. R.J. Breedveld, en [eiser] een overeenkomst gesloten "ter vaststelling van alle rechten en verplichtingen ten opzichte van de omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting personenauto's van handelsonderneming de Javabrug en van de Drie Kastelen Beleggingen B.V.". Voor zover thans van belang luidt die overeenkomst:
De totale omvang van de ten name van handelsonderneming de Javabrug opgelegde naheffingsaanslagen bedraagt f. 661.679,- inclusief verhoging.
Afgesproken is dat om tot een definitieve afwikkeling te komen de aanslagen zullen worden verminderd tot op een bedrag van f. 400.000,- inclusief verhoging.
De aanslagen zullen als volgt worden verminderd:
Aanslagnr. Was belasting verhoging Wordt belasting verhoging totaal
(...)
5943926 257650 152513 152513
(...)
totaal verschuldigd f. 400000
(...)
U gaat accoord met deze definitieve vaststelling van de rechten en verplichtingen van Drie Kastelen Beleggingen B.V. en handelsonderneming de Javabrug ten opzichte van de omzetbelasting en de bijzondere verbruiksbelasting personenauto's.
U zult dan ook geen beroep of bezwaar aantekenen tegen de nog door mij te nemen beschikkingen.
1.2.1. [Eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1985.
1.2.2. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te Rijswijk (hierna: de Inspecteur) bij uitspraak op bezwaar van 28 juni 1991 deze aanslag verminderd en heeft hij op dezelfde dag ambtshalve een vermindering verleend op de aanslag in de premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1985. Deze beide verminderingen heeft de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen te Rijswijk door zogenoemde afboekingen op andere aanslagen en overboeking van een bedrag aan [eiser] verwerkt.
1.2.3. Bij "uitspraken op bezwaarschrift" van 4 oktober 1991 heeft de Inspecteur beide aanslagen nogmaals verminderd. De Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen te Rijswijk heeft op grond daarvan een bedrag van f 93.044 aan [eiser] voldaan.
1.3. Bij exploit van 27 juni 1996 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen te 's-Gravenhage (hierna: de Ontvanger) [eiser] doen dagvaarden voor de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de Rechtbank) en (onder meer) gevorderd [eiser] te veroordelen f 93.044 te betalen aan de Ontvanger.
1.4. [Eiser] heeft de vordering van de Ontvanger bestreden. Hij heeft daarnaast in de loop van de procedure bij de Rechtbank in totaal liefst zestien reconventionele vorderingen ingesteld. De enige die daarvan in cassatie nog van belang is, betreft een vordering uit onverschuldigde betaling ten belope van f 152.513.
1.5. De Rechtbank heeft op 26 mei 1999 in deze zaak vonnis(1) gewezen. De Rechtbank heeft in dat vonnis de vordering in conventie toegewezen onder verrekening van één van de zestien vorderingen in reconventie en [eiser] veroordeeld f 80.250 te voldoen aan de Ontvanger, en de vordering in reconventie afgewezen.
1.6. [Eiser] heeft tegen dat vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) en daarbij vier grieven aangevoerd.
1.7. Het Hof heeft op 17 mei 2001 een tussenarrest(2) gewezen. Het Hof heeft daarbij (onder meer) geoordeeld dat de tweede grief van [eiser] - die zag op het oordeel van de Rechtbank over de reconventionele vordering van f 152.513 - ongegrond was.
1.8. Tegen dit tussenarrest heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft daarbij één middel van cassatie voorgesteld, dat uitsluitend ziet op het oordeel van het Hof over zijn tweede grief. De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.
2. Het vonnis van de Rechtbank en het tussenarrest van het Hof
2.1. De Rechtbank heeft, naar aanleiding van de reconventionele vordering van [eiser] uit onverschuldigde betaling ten belope van f 152.513, geoordeeld:
Bijzondere verbruiksbelasting (...)
6.1. [Eiser] stelt dat de Ontvanger in 1984 ten onrechte een bedrag van f 152.513,- heeft afgeboekt op de verjaarde aanslag bijzondere verbruiksbelasting [001], op grond waarvan hij dit bedrag thans als onverschuldigd betaald terugvordert.
In het midden kan worden gelaten of voormelde aanslag in 1984 al dan niet was verjaard. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [eiser] op 2 februari 1990 met Inspecteur Breedveld een overeenkomst heeft gesloten, waarbij overeenstemming is bereikt over alle rechten en verplichtingen inzake voormelde aanslag bijzondere verbruiksbelasting. Hieruit blijkt dat het bestaan en invorderbaar zijn van deze aanslag ten tijde van het sluiten van de overeenkomst door [eiser] werd geaccepteerd. Bij de totstandkoming van deze overeenkomst was [eiser] voorts voorzien van de deskundige bijstand van zijn adviseur [betrokkene 1]. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het [eiser] na het sluiten van de overeenkomst niet vrij staat om bij een veranderd inzicht over hetgeen partijen zijn overeengekomen terug te komen op de gemaakte afspraken. Het beroep van [eiser] op HR 22 april 1998 (VN 1998/40.8) treft geen doel. Dat partijen niet uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat een eventueel beroep op verjaring van de invorderingstermijn van aanslagen zou vervallen, acht de rechtbank niet relevant. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst is immers, zoals [eiser] niet heeft betwist, niet aan de orde geweest dat in 1984 de invorderingstermijn van de aanslag bijzondere verbruiksbelasting zou zijn verjaard. De Inspecteur mocht er dan ook op vertrouwen dat [eiser] van oordeel was dat de invordering van deze aanslag correct was verlopen. Van een onverschuldigde betaling is geen sprake, zodat er in conventie geen aanspraak op verrekening bestaat.
2.2. Het Hof heeft in zijn tussenarrest, naar aanleiding van de tweede grief van [eiser], geoordeeld:
4.1. In grief 2 wordt geklaagd over de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de overeenkomst van 2 februari 1990, bij welke overeenkomst [eiser] niet geacht kan worden tevens afstand te hebben gedaan van zijn recht zich te beroepen op verjaring van de invordering van een bij die overeenkomst betrokken aanslag in de bijzondere verbruiksbelasting. De overeenkomst met de Inspecteur kan niet mede betrekking hebben op betalingsverplichtingen jegens de Ontvanger.
4.2. Ook deze grief is ongegrond. Bij die overeenkomst is de totale omvang van de ten name van handelsonderneming Javabrug opgelegde naheffingsaanslagen ad f. 661.679, inclusief verhogingen, teruggebracht tot f. 400.000, inclusief verhogingen. Voorts is onder meer vastgelegd:
"U gaat accoord met deze definitieve vaststelling van de rechten en verplichtingen van Drie Kastelen Beleggingen B.V. en handelsonderneming de Javabrug ten opzichte van de omzetbelasting en de bijzondere verbruiksbelasting personenauto's.
U zult dan ook geen beroep of bezwaar aantekenen tegen de nog door mij te nemen beschikkingen".
Bij de aan die overeenkomst voorafgegane onderhandelingen werd [eiser] bijgestaan door zijn belastingadviseur. Het staat [eiser] niet vrij nadien een vermeend beroep op verjaring van het recht van invordering van een bij die overeenkomst betrokken naheffingsaanslag in te roepen. Het door [eiser] in dit verband gedane beroep op het arrest HR 22 april 1998, VN 1998/40.8, betreft een ander geval: daarin werd een beroep gedaan op een omstandigheid die zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog niet had voorgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat, kort gezegd, het [eiser] niet meer vrij stond een beroep op verjaring van het recht van invordering van één van de bij de overeenkomst met inspecteur Breedveld betrokken naheffingsaanslagen in te roepen.
3.2.1. Als ik het goed zie dan berust het middel op het uitgangspunt dat beslissingen omtrent de hoogte van aanslagen werden (en worden) genomen door de inspecteur, terwijl de beslissingen omtrent de invordering van het op grond van een aanslag verschuldigde behoorden (en behoren) tot de taak en de bevoegdheid van de ontvanger. Dat uitgangspunt is juist.(3) Daarmee is in overeenstemming dat in de overeenkomst met de Inspecteur (zie § 1.1) ook alleen aandacht wordt besteed aan de hoogte van de desbetreffende naheffingsaanslagen en gezwegen wordt over hetgeen partijen op grond daarvan elkaar verschuldigd zijn.
3.2.2. Een en ander laat echter onverlet dat aan een overeenkomst met een inspecteur - gezien de grote verwevenheid van zijn taken en bevoegdheden met die van de ontvanger - gevolgen verbonden mogen worden die het op belastingaanslagen verschuldigde betreffen: gevolgen dus voor de invordering van die aanslagen. Dat heeft dus tot gevolg dat de belastingplichtige - ook al heeft zo'n overeenkomst in de regel betrekking op de vaststelling van de hoogte van aanslagen - kan afdoen aan zijn eigen rechtspositie jegens de ontvanger: bijvoorbeeld door - stilzwijgend of uitdrukkelijk - af te zien van een beroep op verjaring.
3.2.3. Met het bestreden oordeel heeft het Hof dan ook tot uitdrukking gebracht dat het sluiten van de overeenkomst met de Inspecteur mede tot gevolg had dat [eiser] het recht had verwerkt om zich jegens de Ontvanger te beroepen op de (vermeende) verjaring van de naheffingsaanslag in kwestie. Anders dan het middel wil, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het naar behoren gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
3.3. Het middel faalt derhalve. Naar het mij voorkomt, kan het beroep in cassatie op de voet van art. 81 WetPro RO worden afgedaan.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden