AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over wijziging bijdrage levensonderhoud na echtscheiding en draagkrachtbeoordeling
De zaak betreft een verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw door de man na hun echtscheiding. De man had meerdere verzoeken ingediend om de alimentatie te verlagen, onder meer vanwege gewijzigde omstandigheden zoals zijn echtscheiding van een tweede echtgenote en de daaruit voortvloeiende woonlasten.
Het hof oordeelde dat de echtscheiding van de man met zijn tweede echtgenote een wijziging in omstandigheden vormde die een hernieuwde beoordeling van zijn draagkracht rechtvaardigde. Het hof hield rekening met de voorgenomen verkoop van de voormalige echtelijke woning en de daarbij behorende overwaarde, en stelde de draagkracht van de man vast met een redelijke woonlast vanaf 1 maart 2002.
De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met de woonlasten zolang de woning nog niet was verkocht en dat de motivering van het hof over de woonlasten onvoldoende was. De Hoge Raad concludeert dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bedrag van ƒ 1.000,- per maand als redelijke woonlast vanaf 1 maart 2002 werd aangenomen, en dat het oordeel over de draagkracht onvoldoende inzichtelijk is. Daarom wordt het arrest vernietigd en verwezen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering over de draagkracht en woonlasten, en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Conclusie
Nr. R02/070 HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 7 februari 2003
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Verzoeker tot cassatie en verweerster in cassatie, verder de man en de vrouw, zijn op 19 juli 1968 met elkaar gehuwd.
1.2 Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 7 februari 1996 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 27 februari 1996 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
1.3 Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving daarvan als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 1.575,- per maand dient te voldoen.
1.4 De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zwolle op 15 juni 1998, wijziging van deze bijdrage verzocht.
Dit verzoek is bij beschikking van 19 november 1998 door de rechtbank afgewezen.
1.5 De man heeft tegen die beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij beschikking van 27 april 1999 heeft het hof deze beschikking bekrachtigd.
1.6 De man heeft op 5 januari 2000 opnieuw een verzoekschrift tot wijziging van de inmiddels tot een bedrag van ƒ 1.735,- per maand geïndexeerde bijdrage in het levens-onderhoud van de vrouw bij de rechtbank Zwolle ingediend.
1.7 Bij beschikking van 7 september 2000 heeft de rechtbank dit verzoek in die zin toegewezen dat voornoemde bijdrage met ingang van 1 juni 2000 is vastgesteld op een bedrag van ƒ 1.600,- per maand.
Die bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bedraagt ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2001 ƒ 1.652,80 (€ 750,-) per maand en met ingang van 1 januari 2002 ƒ 1.728,82 (€ 784,50) per maand(2).
1.8 Daarop heeft de man op 2 maart 2001 bij de rechtbank Zwolle een verzoekschrift tot wijziging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ingediend.
Bij beschikking van 3 september 2001 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek - kort gezegd - omdat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden.
1.9 Bij de onderhavige procedure inleidend verzoekschrift, ter griffie van de rechtbank Zwolle ingekomen op 21 september 2001, heeft de man wederom wijziging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw verzocht en te bepalen - voor zover thans nog van belang - dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 maart 2001 wordt gesteld op nihil.
1.10 Dit verzoek heeft de man gegrond op gewijzigde financiële omstandigheden aan zijn zijde als gevolg waarvan de aan hem opgelegde uitkering niet meer in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.
1.11 Daartoe heeft de man gesteld, voor zover in cassatie van belang(3), dat hij inmiddels is gescheiden van zijn tweede echtgenote, [betrokkene 1], welke echtscheiding op 30 mei 2001 is uitgesproken en op 2 juli 2001 is ingeschreven(4). Aan de man is toen het woonrecht van de echtelijke woning toegekend(5). De wijziging in de omstandigheden houdt - aldus de man - met name in dat waar de man vóór 1 maart 2001 de woonlasten samen met [betrokkene 1] kon betalen(6), hij deze woonlasten na die datum volledig voor zijn eigen rekening moet nemen (zie zijn inleidende verzoekschrift onder 5 en 10).
De woonlasten komen, naar eigen zeggen, grotendeels overeen met die uit de beschikking van de rechtbank van 7 september 2000 en bedragen:
- ƒ 1.933,- aan hypotheekrente;
- ƒ 171,- aan premie (levens)verzekering gekoppeld aan de hypotheek;
- ƒ 54,- aan premie hypotheekbescherming;
- ƒ 175,- aan overige eigenaarslasten(7).
1.12 In de procedure voor de rechtbank heeft de vrouw, na daartoe door de griffier in de gelegenheid te zijn gesteld, geen verweer gevoerd.
1.13 Bij, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 29 oktober 2001 heeft de rechtbank de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 maart 2001 vastgesteld op nihil.
1.14 De vrouw is bij, op 3 december 2001 ter griffie van het Gerechtshof te Arnhem ingekomen, beroepschrift in hoger beroep gekomen van die beschikking en heeft het hof verzocht deze te vernietigen en het verzoek van de man alsnog af te wijzen. Volgens de vrouw is de scheiding tussen de man en [betrokkene 1] "op touw gezet" om de alimentatie te wijzigen, nu de woning vóór dit huwelijk geruime tijd (mede) eigendom was van [betrokkene 1](8). Vermoed wordt dat de man nog steeds zijn woonlasten met [betrokkene 1] deelt(9).
1.15 Bij verweerschrift heeft de man het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van al hetgeen de vrouw zonder recht of titel heeft doen innen op grond van de beschikking van de rechtbank van 7 september 2000(10).
1.16 Op 21 maart 2002 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn, bijgestaan door hun raadsman, in persoon verschenen.
1.17 Bij beschikking van 4 juni 2002 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 29 oktober 2001 vernietigd "voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen". Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.
1.18 Tegen deze beschikking heeft de man tijdig(11) beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. In de ontvangst nadien van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 maart 2002 heeft de man geen aanleiding gezien het aangevoerde cassatiemiddel aan te passen en/of aan te vullen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het hof heeft allereerst in rechtsoverweging 4.1 geoordeeld dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden nu het huwelijk van de man met [betrokkene 1] op 2 juli 2001 door echtscheiding is ontbonden en dat deze wijziging een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man en van de behoefte van de vrouw rechtvaardigt. Dit oordeel is in cassatie niet bestreden.
Ook staat niet meer ter discussie dat de vrouw behoefte heeft aan een (aanvullende) bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (zie rov. 4.4).
2.2 Verder is in cassatie onbestreden gelaten dat het hof bij zijn beslissing het redelijk heeft geacht een wijziging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te laten ingaan op 1 oktober 2001 (zie rov. 4.2).
2.3 Het hof is blijkens rechtsoverweging 4.5 bij de vaststelling van de draagkracht van de man uitgegaan van de onder 3.5 en 3.6 van zijn beschikking vermelde financiële gegevens.
2.4 Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 4.6 het volgende overwogen:
"Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat de voormalige echtelijke woning van hem en [betrokkene 1] zal worden verkocht, waarna een overwaarde zal resteren van ƒ 150.000,-. Met het oog daarop acht het hof het niet redelijk bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening te houden met een tijdelijke verplichting van de man om aan [betrokkene 1] een bedrag van ƒ 362,- per maand als rente op een door [betrokkene 1] aan de man verstrekte lening in verband met de overwaarde van de voormalige echtelijke woning, te betalen".
2.5 Onderdeel 1 komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.6 om géén rekening te houden met de tijdelijke verplichting van de man om aan [betrokkene 1] ƒ 362,- per maand als "rente op een door [betrokkene 1] aan de man verstrekte lening in verband met de overwaarde van de voormalige echtelijke woning" te betalen.
2.6 Betoogd wordt dat het hof heeft miskend dat de draagkracht van de man, zo lang de verkoop van de voormalig echtelijke woning nog niet is geëffectueerd, door deze verplichting nadelig wordt beïnvloed. De enkele omstandigheid dat tijdens de mondelinge behandeling is verklaard dat deze woning zal worden verkocht, kan het bestreden oordeel zonder nadere motivering die ontbreekt, niet zelfstandig dragen.
Verder is niet inzichtelijk waarom voor de periode, die onderwerp van beoordeling is, in het geheel geen rekening is gehouden met voornoemde verplichting, nu ook de vóór de datum van de mondelinge behandeling liggende periode in aanmerking had moeten worden genomen. Volgens het onderdeel had het buiten beschouwing blijven van bedoelde last afhankelijk moeten worden gesteld van de daadwerkelijke verkoop van de echtelijke woning en mitsdien het voor de man daadwerkelijk vervallen van zijn verplichting.
2.7 Bij de vaststelling/wijziging van een uitkering tot levensonderhoud geniet de rechter die over de feiten oordeelt, een grote vrijheid, hetgeen meebrengt dat zijn beslissing in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar is. Aan beslissingen in alimentatiezaken, die niet leiden tot een - min of meer - definitieve beëindiging van de onderhoudsplicht, worden in het algemeen niet al te hoge motiveringseisen gesteld. Uit de beschikking dient voldoende te blijken van welke gegevens de feitenrechter bij zijn beslissing gebruik heeft gemaakt(12).
2.8 In beginsel behoort met alle schulden rekening te worden gehouden. Weliswaar zal de rechter grond aanwezig kunnen oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar wanneer hij dit doet, zal hij voldoende inzicht moeten geven in de gedachtengang die hem tot die beslissing heeft geleid(13).
Bij het buiten beschouwing laten van schulden kan worden gedacht aan aflossingen op een hypothecaire geldlening die - hoe redelijk ook - leiden tot een vermogensvermeerdering(14).
2.9 Indien de rechter bij de vaststelling of wijziging van een uitkering tot levensonderhoud een redelijke mate van zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen, die voor die uitkering van belang is, staat het hem vrij daarmee reeds op voorhand rekening te houden, door de uitkering met inachtneming van die omstandigheid vast te stellen of te wijzigen. Ingeval achteraf blijkt dat, anders dan de rechter ten tijd van zijn beslissing verwachtte, die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan, kan op de voet van art. 1:401 lid 4 BWPro wijziging of intrekking van de uitspraak worden verzocht(15).
De rechter kan dus rekening houden met feiten die ten tijde van zijn beslissing nog niet vaststaan.
2.10 In het oordeel van het hof onder 4.6 ligt allereerst het oordeel besloten dat de draagkracht van de man door de maandelijkse verplichting tot betaling van een bedrag van
ƒ 362,-- aan [betrokkene 1] als rente op een aan hem verstrekte lening in verband met de overwaarde van de voormalige echtelijke woning, nadelig wordt beïnvloed en niet, zoals bij aflossingen op een hypothecaire lening, leidt tot vermogensvermeerdering.
Het hof heeft vervolgens kennelijk die betalingsverplichting voor bedoelde periode 'weggestreept' tegen de door de man gestelde en door de vrouw niet betwiste overwaarde van ƒ 150.000,-- die na de verkoop van de voormalige echtelijke woning zal resteren.
Aldus heeft het hof toepassing gegeven aan de hiervoor vermelde regel dat bij de bepaling van de draagkracht rekening mag worden gehouden met een toekomstige omstandigheid. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 1 faalt derhalve.
2.11 Onderdeel 2 richt een motiveringsklacht tegen rechtsoverweging 4.7. Daarin heeft het
hof het volgende geoordeeld:
"Het hof houdt in het licht van de voorgenomen verkoop van de woning aan de zijde van de man in redelijkheid tot 1 maart 2002 rekening met de hypotheekrente van
ƒ 1.933,-, de premie levensverzekering van ƒ 171,- per maand en de overige eigenaars-lasten van ƒ 175,- per maand en vanaf 1 maart 2002 met een naar het oordeel van het hof redelijke woonlast van ƒ 1.000,- per maand."
Betoogd wordt dat niet inzichtelijk is hoe de tot 1 maart 2002 in aanmerking genomen woonlasten van de man van in totaal ƒ 2.279,- per maand en de vanaf 1 maart 2002 in aanmerking genomen "redelijke woonlast" van ƒ 1.000,- per maand tot dezelfde uitkomst met betrekking tot de draagkracht van de man kunnen leiden. De enkele, in algemene termen gegeven, verwijzing in rechtsoverweging 4.9 naar "de fiscale consequenties" is - aldus het onderdeel - onvoldoende.
2.12 Volgens dit middelonderdeel is daarenboven - in het licht van de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling - niet inzichtelijk waarom vanaf 1 maart 2002 met genoemde woonlast van ƒ 1.000,- per maand rekening wordt gehouden terwijl, op dat moment, de op de voormalige echtelijke woning rustende verplichtingen nog op de man drukten.
2.13 Vooropgesteld moet worden dat art. 1:402 BWPro de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting(16).
De rechter is daarbij vrij rekening te houden met de omstandigheden die hij van belang acht(17) en kan op grond daarvan de dag, vanaf welke het onderhoud verschuldigd zal zijn, stellen vóór de uitspraak, op die van de uitspraak of daarna(18) (hier: 1 oktober 2001).
In dit geval heeft het hof kennelijk voor de verkoop van de voormalig echtelijke woning als peildatum 1 maart 2002 genomen en vanaf die datum geen rekening meer willen houden met (alle) eigenaarslasten voor de man van die woning in verband met de voorgenomen verkoop ervan.
2.14 De afweging en waardering van de factoren die de draagkracht van de man bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De rechter is niet gehouden alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt(19).
Zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, is in rechtsoverweging 4.7 onbegrijpelijk waarom het hof per 1 maart 2002 met een "redelijke woonlast van ƒ 1.000,- per maand" heeft rekening gehouden, nu dit bedrag uit de lucht komt vallen.
De tweede motiveringsklacht van onderdeel 2 is m.i. dan ook terecht voorgesteld.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 3.1 t/m 3.4 van de beschikking van het hof van 4 juni 2002.
2 Zie rov. 3.4 van de bestreden beschikking.
3 De man heeft verder gesteld (i) dat hij medio 2001 volledig is afgekeurd, vanaf 1 juni 2001 een WAO-uitkering ontvangt en het er niet naar uit ziet dat hij binnen afzienbare tijd weer aan het werk zal gaan en (ii) dat de vrouw al jaren een vaste relatie heeft waardoor haar behoefte is verlaagd (zie inleidend verzoekschrift onder 6, 9 en 11). Deze stellingen komen in cassatie niet meer aan de orde.
4 Zie productie 6 en 7 bij het inleidende verzoekschrift (zoals toegelicht onder 5).
5 In die echtscheidingsprocedure heeft [betrokkene 1] verzocht om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de tot de inboedel daarvan behorende zaken aan de man toe te wijzen, welk verzoek de man niet heeft weersproken. De rechtbank heeft het verzoek van [betrokkene 1] als "op de wet gegrond" bij beschikking van 30 mei 2001 toegewezen.
6 Krachtens de beschikking van 7 september 2000 kwam de helft van de woonlasten van de man voor rekening van zijn nieuwe echtgenote, [betrokkene 1] (zie blz. 3).
7 Zie ook rov. 3.6 van de bestreden beschikking.
8 Zie het beroepschrift onder 8.
9 Zie de opmerking van de raadsman van de vrouw, mr. Ran, in het proces-verbaal van 21 maart 2002 (blz. 1).
10 De vrouw heeft kennelijk beslag laten leggen op het inkomen van de man (verweerschrift in appel, blz. 3).
11 Het verzoekschrift tot cassatie is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 4 september 2002. Sinds 1 januari 2002 bedraagt de cassatietermijn drie maanden (art. 426 lid 1 RvPro.).
12 Zie Asser-De Boer (2002), nr. 620; S.F.M. Wortmann/J. van Duijvendijk-Brand, Compendium Personen- en familierecht (2002), nr. 161 met verdere gegevens.
14 Zie HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 91. Zie voorts Asser-De Boer (2002), nr. 626 met vindplaatsen in de rechtspraak. Volgens De Boer kan de feitenrechter ook prioriteiten stellen bijv. als de schulden na de vaststelling van de onderhoudsplicht onnodig zijn aangegaan of als er een mogelijkheid van bevrijding is of een regeling bestaat (blz. 444).
15 Zie o.m. HR 12 maart 1999, NJ 1999, 384 (rov. 3.2) en de A-G Langemeijer in zijn conclusie vóór deze beschikking (onder 2.3-2.4) met verdere vindplaatsen in de rechtspraak en literatuur. Zie ook Asser-De Boer (2002), nrs. 620, 1044 en 1049.
16 HR 1 februari 2002, NJ 2002, 185 (rov. 3.4) en de A-G Huydecoper in zijn conclusie vóór deze beschikking.
17 Zie o.m. HR 18 november 1994, NJ 1995, 116 (rov. 3.2). In deze laatste beschikking werd ook beslist dat met die vrijheid niet verenigbaar is een regel inhoudende dat als uitgangspunt geldt dat die ingangsdatum dient te worden vastgesteld op de datum waarop het inleidende verzoekschrift ter griffie van de rechtbank is ingediend.
18 Zie Asser-De Boer (2002), nr. 1049 die schrijft dat wat het laatste betreft dit m.n. zal gebeuren wanneer de rechter met redelijke zekerheid aanneemt dat zich nog wijzigingen zullen voordoen die de onderhoudsplicht beïnvloeden.