ECLI:NL:PHR:2003:AF4662

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/297HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:932 BWArt. 4:933 BWArt. 4:934 BWArt. 4:46 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en nakoming testamentaire last inzake bewoning koetshuis Kasteel Heeswijk

Deze zaak betreft de uitleg en nakoming van een testamentaire last opgelegd aan een stichting die Kasteel Heeswijk beheert. De erflaatster had de stichting tot enige erfgenaam benoemd met de verplichting om een woning in het poortgebouw (het koetshuis) beschikbaar te stellen aan bepaalde erfgenamen, mits de doelstellingen van de stichting niet in gevaar zouden komen.

De stichting weigerde nakoming van de last omdat zij meende dat bewoning van het koetshuis de instandhouding van het kasteel en het landgoed financieel zou schaden. De rechtbank oordeelde dat de stichting tot nakoming was gehouden, maar het hof vernietigde dit en stelde dat de last alleen geldt indien er geen reële kans bestaat dat de doelstellingen van de stichting worden geschaad.

De Hoge Raad bevestigt dat de uitleg van de testamentaire last correct is en dat de stichting niet hoeft na te komen indien een reële kans bestaat dat de doelstellingen niet of slechts gebrekkig kunnen worden gerealiseerd. De klachten over de uitleg en motivering van het hof worden verworpen. Het arrest benadrukt het belang van duidelijke bewoordingen in testamenten en de restricties bij uitleg daarvan.

Uitkomst: De stichting is niet gehouden tot nakoming van de testamentaire last indien een reële kans bestaat dat de doelstellingen van de stichting door bewoning van het koetshuis worden geschaad.

Conclusie

Rolnummer C01/297HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 14 februari 2003
Conclusie inzake
1. [eiseres 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
4. [eiseres 4]
tegen
[verweerster]
Inleiding
1. In dit geding gaat het om de vraag of thans verweerster in cassatie, verder: de Stichting, gehouden is tot nakoming van de testamentaire last die haar - als erfgename - ten behoeve van thans eisers tot cassatie, verder: [eiser] c.s., is opgelegd onder de restrictie dat de doelstellingen van de Stichting niet in gevaar mogen worden gebracht. Daarbij staat centraal de vraag hoe deze last moet worden uitgelegd, dat wil zeggen wat moet worden verstaan onder "gevaar" voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Stichting, en voorts of sprake is van gevaar in de door de erflaatster bedoelde zin. Het Hof heeft geoordeeld dat de Stichting niet tot nakoming van de last is gehouden; het overwoog dat de term "gevaar" aldus moet worden uitgelegd dat bij de uitvoering van de last "een reële kans" bestaat dat de Stichting haar doelstellingen niet of slechts gebrekkig zal kunnen realiseren en voorts dat deze reële kans inderdaad aanwezig is. Daartegen keert zich het middel.
2. Tussen partijen heeft zich het volgende voorgedaan:
i) Op 29 juni 1994 is overleden [erflaatster], verder ook te noemen de erflaatster. Eerder, op 22 oktober 1974, was overleden [betrokkene 1], echtgenoot van de erflaatster; bij testament van 24 september 1973 had hij zijn echtgenote tot zijn enig erfgename benoemd en haar verzocht het tot zijn nalatenschap behorende Kasteel Heeswijk c.a., gelegen te Heeswijk-Dinther, in te brengen in of over te dragen aan een door haar op te richten stichting ter instandhouding van het familiebezit.
ii) Ter uitvoering hiervan is door de erflaatster - bij akte van 29 november 1976 - de Stichting opgericht. Bij op diezelfde dag verleden testament heeft erflaatster de Stichting tot haar enige en algehele erfgename benoemd. De statuten van de Stichting zijn laatstelijk gewijzigd bij akte van 8 juli 1993. De doelstellingen van de Stichting luiden sindsdien als volgt:
Artikel 2
1. De stichting heeft ten doel:
Het behoud en de instandhouding - zonder winstoogmerk - van het te Heeswijk gelegen Kasteel Heeswijk met voorburcht, grachten en tuinen, als monument in de zin van de Monumentenwet alsmede van het daarbij behorende landgoed met boerderijen, landerijen, lanen, dreven en bossen in de zin van de Natuurschoonwet 1928, een en ander zoveel mogelijk in overeenstemming met de daarmede zo nauw verbonden tradities van de familie [A].
2. De stichting tracht haar doel ondermeer te verwezenlijken door:
a. het in eigendom behouden en beheren van de in lid 1 bedoelde zaken;
b. het samenwerken met rechtspersonen met een soortgelijk of aanverwant doel;
c. het aanwenden van alle wettige middelen, die het doel van de stichting kunnen bevorderen.
iii) Bij leven van de erflaatster, te weten bij transacties in 1979 en 1986 (laatstelijk bij akte van 18 december 1986), heeft de Stichting van de erflaatster de volle eigendom verkregen van Kasteel Heeswijk en van bijna 65 ha omliggende gronden alsmede de eigendom belast met een eeuwigdurend vruchtgebruik van enkele honderden hectaren. Ter financiering van deze verkrijging en van een aantal roerende zaken alsmede voor enkele andere doeleinden heeft de erflaatster de Stichting een aantal geldleningen verstrekt.
iv) Bij testament van 4 november 1986 heeft de erflaatster in aanvulling op en overigens onder instandhouding van voornoemd testament uit 1976 de Stichting de navolgende last opgelegd:
"Alles onverlet de doelstellingen van mijn erfgenaam welke tengevolge van het na te meldene niet in gevaar mogen worden gebracht, ook niet ten aanzien van haar fiskale en subsidiabele positie, leg ik aan mijn erfgenaam de last op (voorzover zulks ligt in het vermogen van mijn erfgenaam) om mijn nicht, [eiseres 1] (..), respektievelijk haar kinderen bij haar vooroverlijden, alsook bij opvolging, in staat te stellen om de door mij bewoonde woning in het poortgebouw van Kasteel Heeswijk te bewonen, met al de hare respektievelijk met al de hunnen, hetzij voortdurend, hetzij periodiek (alles naar haar of hun wensen) Degene(n), die aldus van de woonrechten gebruik maakt is verplicht om aan de eigenaar te vergoeden alle kosten van normaal klein-onderhoud en de kosten van gas, water en elektriciteit en alle andere kosten, welke normaliter ten laste plegen te worden gebracht van huurders van woonhuizen. De overige kondities dienen in goed overleg te worden overeengekomen en zullen bij gebreke van overeenstemming dienaangaande bindend worden vastgesteld door de rentmeester van het landgoed Kasteel Heeswijk."
v) De Stichting heeft de erfenis aanvaard. Bij brief van 12 juli 1994 heeft [eiseres 1] (eiseres tot cassatie sub 1), mede namens haar kinderen (eisers tot cassatie sub 2 t/m 4), medegedeeld het uit de last voortvloeiende recht van bewoning van de (voorheen) door de erflaatster bewoonde woning in het poortgebouw van Kasteel Heeswijk (verder te noemen: het koetshuis) te aanvaarden.
vi) De benoeming van de Stichting tot enig en algeheel erfgename heeft de onterving betekend van de adoptief-dochter van erflaatster, [betrokkene 2]. Deze heeft na het overlijden van de erflaatster een beroep gedaan op haar legitieme portie; zij is uit dien hoofde gerechtigd geworden tot de helft van de nalatenschap en heeft deze opgeëist. De Stichting heeft inmiddels aan haar verplichtingen jegens de adoptief-dochter voldaan.
vii) De Stichting is - ondanks het daartoe strekkende verzoek van [eiser] c.s. - niet overgegaan tot nakoming van de testamentaire last.
3. [Eiser] c.s. hebben de Stichting in rechte betrokken en gevorderd - kort gezegd - de Stichting te veroordelen tot nakoming van de testamentaire last door aan hen het recht van bewoning te verlenen van de door de erflaatster tot aan haar overlijden bewoonde woning (het koetshuis) in het poortgebouw van kasteel Heeswijk met inbegrip van aanliggende voorplaats en tuin, garages en moestuin; zij hebben voorts - na aanvulling van eis - gevorderd de Stichting te gelasten alle werkzaamheden te verrichten die aan voormelde woning moeten worden verricht opdat deze door hen ongestoord als zodanig kan worden gebruikt.
De Stichting heeft de vordering gemotiveerd bestreden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij gelet op alle omstandigheden van het geval (zij kampt reeds jarenlang met een structureel exploitatietekort) niet tot nakoming van de "geclausuleerde" last is gehouden nu haar doelstellingen ten gevolge van de bewoning van het koetshuis in het poortgebouw door [eiser] c.s. niet of slechts gebrekkig gerealiseerd zullen kunnen worden, aangezien - kort gezegd - de bewoning van het koetshuis door [eiser] c.s. - gelet op alle omstandigheden van het geval - een negatieve invloed zal hebben op haar exploitatiesaldo.
4. Bij vonnis van 20 september 1996 heeft de Rechtbank een drietal deskundigen benoemd ter beantwoording van - kort gezegd - de vraag of door de bewoning en het gebruik van het koetshuis door [eiser] c.s. de doelstellingen van de Stichting, te weten het behoud en de instandhouding zonder winst-oogmerk van Kasteel Heeswijk, in gevaar zullen worden gebracht.
Nadat de deskundigen hun rapport hadden uitgebracht, heeft de Rechtbank bij vonnis van 27 november 1998 de conclusie van de deskundigen onderschreven dat als gevolg van de bewoning van het koetshuis geen extra investeringslast ontstaat; overwegende dat onderzocht moet worden of als gevolg van de bewoning van het koetshuis wezenlijke inkomsten worden gederfd, heeft de Rechtbank op dat punt nadere vragen aan de deskundigen gesteld.
Bij eindvonnis van 19 november 1999 heeft de Rechtbank geconcludeerd dat niet (voldoende) is komen vast te staan dat de Stichting als gevolg van de bewoning van het koetshuis wezenlijke inkomsten derft. Zij heeft de Stichting - kort gezegd - veroordeeld tot nakoming van de testamentaire last.
5. De Stichting heeft hoger beroep aangetekend. Zij heeft primair betoogd dat de last reeds is vervallen nu haar doelstellingen onvervulbaar zijn geworden doordat zij - als gevolg van het beroep door de adoptief-dochter van de erflaatster op de legitieme - de bij het Kasteel Heeswijk behorende landgoederen heeft moeten verkopen aan de stichting Brabants Landschap. Subsidiair heeft de Stichting gesteld dat de testamentaire last aldus moet worden uitgelegd dat onder gevaar voor verwezenlijking van de doelstellingen van de Stichting moet worden verstaan dat bij de uitvoering van de last een reële kans bestaat dat de Stichting haar doelstellingen niet of slechts gebrekkig zal kunnen realiseren. Zij heeft voorts betoogd dat bij de uitvoering van de last bedoelde reële kans inderdaad bestaat aangezien de bewoning door [eiser] c.s. van het koetshuis - anders dan de Rechtbank oordeelde - wel degelijk een negatieve invloed zal hebben op het exploitatiesaldo; in dat verband heeft zij aangevoerd dat de Rechtbank enerzijds de financiële situatie van de Stichting veel te rooskleurig heeft ingeschat en anderzijds onvoldoende oog heeft gehad voor de mogelijkheden van exploitatie van het koetshuis.
6. Het Hof heeft bij zijn op 29 juni 2001 gewezen arrest het primaire betoog van de Stichting verworpen. Het overwoog daartoe dat door het beroep van de adoptief-dochter op haar legitieme portie de Stichting inderdaad buiten staat is geraakt om haar doelstellingen geheel te verwezenlijken aangezien zij door dat beroep - door financiële nood gedwongen - het bij Kasteel Heeswijk behorende landgoed c.a. heeft moeten verkopen; het Hof overwoog dat evenwel het antwoord op de vraag of daarmee de last is vervallen, afhangt van de wijze waarop de last moet worden uitgelegd. Het Hof stelde in dat verband voorop dat van de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking niet door uitlegging mag worden afgeweken als deze duidelijk zijn, en dat bij vaststelling van de inhoud moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (rechtsoverweging 5.3). Het Hof oordeelde dat de bewoordingen van het testament - in aanmerking genomen dat de verhoudingen die de erflaatster kennelijk heeft willen regelen en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt genoegzaam blijken uit de vaststaande feiten - voldoende duidelijk zijn (rechtsoverweging 5.4); het Hof heeft overwogen dat bedoelde vraag ontkennend moet luiden nu het testament aldus moet worden gelezen dat de last slechts vervalt als ten gevolge van bewoning van het koetshuis door [eiser] c.s. de doelstellingen van de Stichting in gevaar worden gebracht en dat niet wordt gedoeld op de situatie waarin de doelstellingen van de Stichting door een andere omstandigheid gevaar lopen (rechtsoverweging 5.5).
Het Hof heeft evenwel het subsidiaire betoog van de Stichting gehonoreerd. Het stelde daartoe voorop het betoog van de Stichting te onderschrijven dat onder "gevaar" voor verwezenlijking van de doelstellingen van de Stichting niet moet worden verstaan dat uitvoering van de last daadwerkelijk tot gevolg zal hebben dat de Stichting haar doelstellingen niet of slechts gebrekkig zal kunnen realiseren, doch dat bij uitvoering van de last "een reële kans" bestaat dat de Stichting haar doelstellingen niet of slechts gebrekkig zal kunnen realiseren, in welk geval het (volgens de bewoordingen van het testament) in elk geval niet "in het vermogen" van de Stichting ligt om de last na te komen (rechtsoverweging 5.9). Het Hof concludeerde dat het bij zijn onderzoek naar de vraag of de Stichting gehouden is tot nakoming van de last, op grond van (de structuur en formulering van) het testament als uitgangspunt neemt dat de last in beginsel moet worden nagekomen, maar dat de Stichting niet tot nakoming van de last is gehouden indien een reële kans bestaat dat de doelstellingen van de Stichting - voor zover deze nog te verwezenlijken zijn - ten gevolge van bewoning van het koetshuis door [eiser] c.s. niet of slechts gebrekkig zullen kunnen worden gerealiseerd, en dat het aan de Stichting is om te bewijzen dat de bedoelde reële kans aanwezig is (rechtsoverweging 5.10). Na de beoordeling van hetgeen door de Stichting en [eiser] c.s. ten aanzien van de financiële situatie van de Stichting en de mogelijke exploitatie van het koetshuis naar voren is gebracht (rechtsoverwegingen 5.11-5.22), kwam het Hof tot de conclusie dat een reële kans aanwezig is dat de doelstellingen van de Stichting - voorzover deze nog te verwezenlijken zijn - (mede) ten gevolge van bewoning van het koetshuis door [eiser] c.s. niet of slechts gebrekkig gerealiseerd zullen kunnen worden, zodat de Stichting niet is gehouden tot nakoming van de last. De grond voor die conclusie is - aldus het Hof - dat de Stichting, de dotatie voor groot onderhoud daarin meegerekend, aanzienlijke exploitatietekorten heeft en dat bewoning van het koetshuis door [eiser] c.s. een negatieve invloed zal hebben op het exploitatiesaldo (rechtsoverweging 5.23). Het Hof heeft ten slotte de vonnissen van de rechtbank vernietigd en alsnog de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen.
Het Hof heeft op 24 augustus 2001 een herstelarrest gewezen in verband met een rekenfout gemaakt bij de kostenveroordeling.
7. [Eiser] c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. De Stichting heeft voorwaardelijk incidenteel beroep aangetekend. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping. Zij hebben de zaak schriftelijk doen toelichten, waarna zij nog hebben gerepliceerd en gedupliceerd.
Het principale cassatiemiddel
8. Het middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de testamentaire last aldus moet worden uitgelegd dat onder "gevaar voor verwezenlijking van de doelstellingen van de Stichting" in dit verband moet worden verstaan dat bij uitvoering van de last "een reële kans bestaat dat de Stichting haar doelstellingen niet of slechts gebrekkig zal kunnen realiseren", in welk geval het (volgens de daarop volgende bewoordingen van het testament) in elk geval niet "in het vermogen" van de Stichting ligt om de last na te komen. Geklaagd wordt over schending van het recht, meer in het bijzonder van de art. 4:932, 4:933 en 4:934 BW (oud).
Middelonderdeel 1a klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het in rechtsoverweging 5.7 e.v. - anders dan in rechtsoverweging 5.4 - heeft verzuimd te beoordelen of de bewoordingen van de last voldoende duidelijk zijn dan wel of de last voor meer dan één uitleg vatbaar is en door het Hof nader dient te worden uitgelegd aan de hand van de bedoeling van de erflaatster; middelonderdeel 1b klaagt dat het Hof althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd aangezien het op geen enkele wijze motiveert dat en waarom het het ene dan wel het andere oordeel is toegedaan. Middelonderdeel 2 is kennelijk subsidiair voorgesteld. Onderdeel 2a klaagt dat het Hof het recht heeft geschonden doordat het kennelijk en ten onrechte oordeelt dat de uiterste wilsbeschikking slechts eenduidig kan worden uitgelegd en aldus niet tot de conclusie komt dat het - gelet op de geenszins eenduidige bewoordingen van de last over welker uitleg partijen fundamenteel van mening verschillen - gehouden was de bedoeling van de erflaatster te achterhalen, waarbij het acht diende te slaan op de in het geding gebrachte brieven van de erflaatster aan het bestuur van de Stichting en aan de notaris. Middelonderdeel 2b strekt ten betoge dat het oordeel van het Hof innerlijk tegenstrijdig is nu het enerzijds kennelijk, althans wellicht, oordeelt dat de bewoordingen van de uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn en daarvan door uitleg niet afgeweken mag worden, terwijl het Hof anderzijds een nadere uitleg van die uiterste wilsbeschikking geeft door uitleg te geven aan de in de last opgenomen begrippen "gevaar" en "in het vermogen". Voorts wordt geklaagd dat 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 5.23 dat de Stichting niet gehouden is tot nakoming van de last onbegrijpelijk is gelet op het uitgangspunt van het Hof in rechtsoverweging 5.10 dat de last in beginsel moet worden nagekomen.
9. Deze klachten betreffen aldus de uitleg van de testamentaire last. In dit geding is terecht ervan uitgegaan dat deze kwestie moet worden beoordeeld naar het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding - op 1 januari 2003 - van het nieuwe erfrecht. Het gaat in casu immers om een erfenis die is opengevallen vóór bedoelde inwerkingtreding; daarbij komt nog dat het bestreden arrest ook vóór die inwerkingtreding is gewezen. Voor een algemene uiteenzetting omtrent de uitleg van testamenten (met verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie) verwijs ik naar mijn conclusie voor HR 17 november 2000, NJ 2001, 349, m.nt. WMK. Zoals ik in deze conclusie betoogde, speelt bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen een belangrijke rol dat in verband met de eisen van de rechtszekerheid moet worden voorkomen dat elk testament tot reeksen verwikkelingen kan leiden doordat belanghebbenden vrijelijk de gelegenheid wordt geboden te betogen dat het testament de wil van de erflater niet juist weergeeft. In dat licht moeten de artt. 4:932 en 4:933 BW (oud) worden bezien met hun regels dat niet door uitleg mag worden afgeweken van de bewoordingen in het testament die "duidelijk" zijn en dat slechts in geval de bewoordingen voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn, mag worden nagegaan wat de bedoeling van de erflater is geweest, regels die dwingen tot het maken van een onderscheid tussen "duidelijke" en "onduidelijke" bewoordingen en in zoverre niet aanstonds op veel sympathie kunnen rekenen van degenen die het standpunt huldigen dat woorden zonder uitleg nooit begrijpelijk zijn. Tegen de redactie van art. 4:932 BW Pro (oud) dat niet door uitleg mag worden afgeweken van de bewoordingen in het testament die "duidelijk" zijn, is dan ook het bezwaar aangevoerd dat het in feite steeds om uitleg gaat, ook ingeval wordt vastgesteld dat de bewoordingen een duidelijke zin hebben, en dat het derhalve van meer belang is aan te geven van welke gegevens men bij de uitleg gebruik mag maken. Zie de Toel. Meijers bij art. 4.3.1.8 (thans genummerd art. 4:46), Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 277. In zijn arresten van 22 januari 1965, NJ 1966, 177 en 9 april 1965, NJ 1966, 178, m.nt. JHB, overwoog de Hoge Raad dat het bij de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking "duidelijk" zijn erom gaat of deze bewoordingen een duidelijke zin hebben mede gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt en voorts dat uitsluitend ingeval de bewoordingen van een uiterste wil niet duidelijk zijn in de hier bedoelde zin, mag worden nagegaan of door onderzoek naar hetgeen aangaande de bedoeling van de erflater buiten de uiterste wil is gebleken, aan die bewoordingen een betekenis kan worden toegekend welke wél zin heeft en aan de bedoeling van de erflater beantwoordt. Daarbij wordt naar aanleiding van het arrest van 19 september 1990, NJ 1992, 649, m.nt. WMK, ervan uitgegaan dat het bij "de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt" gaat om omstandigheden die kunnen worden vastgesteld zonder gebruik te maken van verklaringen van de erflater buiten het testament om. Zie voor een recentere uitspraak het hiervoor genoemde arrest HR 17 november 2000, NJ 2001, 349, m.nt. WMK, waarin werd overwogen dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking weliswaar dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, maar dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts voor de uitleg van een uiterste wilsbeschikking mogen worden gebruikt indien deze zonder die verklaringen geen duidelijke zin heeft. Deze jurisprudentie sluit aan bij het nieuwe art. 4:46 BW Pro (voorheen genummerd art. 4.3.1.8) dat in lid 1 bepaalt dat bij de uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, en dat vervolgens in lid 2 bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een uiterste wilsbeschikking mogen worden gebruikt indien deze uiterste wil zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. Lid 3 van art. 4:46 geeft Pro overigens een regeling voor het zich hier niet voordoende geval dat de erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist. In de MvA II is met name benadrukt dat het voor testamenten geldende vormvereiste zich ertegen verzet om iedere willekeurige wilsuiting van de erflater op één lijn te stellen met verklaringen die de erflater in de vereiste vorm heeft afgelegd (MvA II, Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 279).
Het oordeel omtrent de vraag of bewoordingen duidelijk zijn in de zojuist bedoelde zin is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet op zijn juistheid doch uitsluitend op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De vraag of de feitenrechter bij zijn uitleg de juiste maatstaf heeft gehanteerd, is een rechtsvraag.
10. Met betrekking tot de middelonderdelen 1 en 2 geldt - mede gezien het voorgaande - het volgende.
De middelonderdelen 1a en 1b gaan kennelijk uit van de veronderstelling dat het Hof niet de vraag heeft beantwoord of de bewoordingen van de last voldoende duidelijk zijn in de zin van art. 4:932 en Pro 4:933 BW (oud) dan wel door het Hof nader dienden te worden uitgelegd aan de hand van de bedoelingen van de erflaatster, waarbij het middel kennelijk het oog heeft op de bedoelingen blijkende uit verklaringen en gedragingen van de erflaatster buiten de uiterste wilsbeschikking. Die veronderstelling is onjuist. Het Hof heeft in rechtsoverweging 5.3 in het kader van de beoordeling van de primaire stelling van de Stichting de vraag beantwoord aan de hand van welke maatstaf de testamentaire last moet worden uitgelegd; het is daarbij van de juiste maatstaf uitgegaan. Het Hof heeft bij de beoordeling van de subsidiaire stelling van de Stichting, waarbij eveneens de uitleg van de last centraal stond, niet wederom vooropgesteld aan de hand van welke maatstaf de last moet worden uitgelegd. Daartoe was het Hof - anders dan het middel wil doen geloven - ook geenszins gehouden. Uit 's Hofs rechtsoverweging 5.9, waarin het Hof zonder omhaal van woorden vaststelt wat moet worden verstaan onder de woorden "gevaar voor verwezenlijking van de doelstellingen van de Stichting", blijkt dat het Hof heeft geoordeeld dat de bewoordingen van de last "voldoende duidelijk" zijn in de zin van art. 4:932 en Pro 4:933 BW (oud) zoals deze bepalingen volgens de hiervoor onder 9 genoemde jurisprudentie moeten worden begrepen en dat derhalve geen plaats is voor uitleg aan de hand van daden of verklaringen van de erflaatster buiten de uiterste wil. Dat het Hof daarbij een oordeel heeft gegeven omtrent de vraag wat onder bedoelde bewoordingen moet worden verstaan - een oordeel dat van het Hof werd verlangd omdat deze vraag partijen verdeeld hield - impliceert geenszins dat deze bewoordingen naar 's Hofs oordeel niet duidelijk waren in de zin van de art. 4:932 en Pro 4:933 BW (oud). De vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking voldoende duidelijk zijn in de zin van deze bepalingen, is immers ook reeds een kwestie van uitleg; zie HR 17 november 2000, NJ 2001, 349, m.nt. WMK. Met name het laatste lijkt te worden miskend door het middel dat aldus uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting.
Middelonderdeel 2a dat het Hof verwijt dat het tot de slotsom is gekomen dat de bewoordingen van de last voldoende duidelijk zijn, komt op tegen een oordeel van het Hof dat feitelijk is van aard en dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Ik acht 's Hofs oordeel geenszins onbegrijpelijk. Van een onjuiste maatstaf is het Hof - zoals gezegd - niet uitgegaan. De in het middel kennelijk vervatte stelling dat het Hof de bewoordingen reeds als onduidelijk had moeten aanmerken omdat partijen over de uitleg daarvan van mening verschillen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Met zijn verwijt dat het oordeel van het Hof innerlijk tegenstrijdig is omdat het Hof dat kennelijk oordeelt dat de in de last opgenomen bewoordingen duidelijk zijn, toch een nadere uitleg geeft aan de in de last opgenomen begrippen "gevaar" en "in het vermogen", miskent middelonderdeel 2b - evenals middelonderdeel 1 - dat de omstandigheid dat het Hof een oordeel heeft gegeven over de vraag wat onder deze begrippen moet worden verstaan geenszins impliceert dat bedoelde woorden niet voldoende duidelijk zijn. De klacht dat 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 5.23 dat de Stichting niet is gehouden tot nakoming van de last, onbegrijpelijk is gezien het uitgangspunt van het Hof in rechtsoverweging 5.10 dat de last in beginsel moet worden nagekomen, faalt eveneens voorzover deze klacht al voldoet aan de eisen die ingevolge art. 407 Rv Pro. aan een cassatieklacht moeten worden gesteld. Het Hof heeft immers in rechtsoverweging 5.10 overwogen dat de last aldus moet worden uitgelegd dat deze in beginsel moet worden nagekomen, doch tevens dat de Stichting niet tot nakoming is gehouden indien een reële kans bestaat dat de doelstellingen van de Stichting - voorzover deze nog te verwezenlijken zijn - ten gevolge van bewoning van het koetshuis door [eiser] c.s. niet of slechts gebrekkig kunnen worden gerealiseerd om vervolgens - gemotiveerd - tot de slotsom te komen dat bedoelde reële kans aanwezig is zodat de Stichting niet tot nakoming van de last is gehouden.
11. Middelonderdeel 3 komt met een motiveringsklacht op tegen 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 5.16 dat het voortbestaan van de Stichting voor de erflaatster een kwestie van het allergrootste belang is geweest. Geklaagd wordt dat het Hof heeft miskend dat de Stichting een door de erflaatster gecreëerd middel is om haar doel (instandhouding van Kasteel Heeswijk) te bereiken en dat uit het testament en de last geenszins blijkt dat het voortbestaan van de Stichting voor de erflaatster een kwestie van het allergrootste belang was. Betoogd wordt dat 's Hofs uitleg van de bedoeling van de erflaatster niet verenigbaar is met de bedoeling van de erflaatster zoals deze blijkt uit de inhoud van haar brief aan het bestuur van de Stichting d.d. 21 november 1985.
12. Ook dit middelonderdeel faalt. Niet valt in te zien dat het in het onderdeel bepleite subtiele onderscheid tussen het voortbestaan van de Stichting en het voortbestaan van Kasteel Heeswijk als zodanig, het oordeel van het Hof onbegrijpelijk maken. Het Hof heeft uit de wens van de erflaatster dat het Kasteel Heeswijk zou blijven voortbestaan, afgeleid dat de erflaatster ook groot belang hechtte aan het voortbestaan van de Stichting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk nu de erflaatster immers, zoals het middelonderdeel ook zelf vooropstelt, juist de Stichting in het leven heeft geroepen om het voortbestaan van het Kasteel te verzekeren. De klacht dat het Hof acht had moeten slaan op de door het middelonderdeel genoemde brief, miskent - nog daargelaten welke betekenis aan deze brief moet worden gehecht - dat het Hof aan deze brief nu juist geen betekenis mocht hechten gegeven zijn uitgangspunt dat de bewoordingen van de last voldoende duidelijk zijn.
13. Middelonderdeel 4a klaagt dat het Hof onbesproken heeft gelaten de essentiële stelling van [eiser] c.s. dat het de bedoeling van erflaatster was dat de sfeer in en om het kasteel niet zou worden aangetast en dat die bedoeling (om de bewoonde sfeer van het koetshuis te behouden) besloten ligt in het testament.
Deze klacht faalt reeds omdat uit 's Hofs overwegingen omtrent de uitleg van de testamentaire last blijkt dat het Hof heeft geoordeeld dat de bewoonde sfeer niet ten koste van de doelstellingen van de Stichting diende te worden behouden, in welk oordeel ligt besloten dat bedoelde stelling moet worden verworpen.
14. Middelonderdeel 4b klaagt dat het Hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van [eiser] c.s. dat de maatstaf ter beantwoording van de vraag of de Stichting de wil van de erflaatster naast zich neer kan leggen, behoort te zijn dat de instandhouding van het kasteel niet mogelijk is bij bewoning van het koetshuis.
Ook dit middelonderdeel faalt; het miskent reeds dat het Hof deze stelling heeft verworpen met zijn oordeel dat het testament aldus moet worden uitgelegd dat de Stichting niet tot nakoming is gehouden indien een reële kans bestaat dat de doelstellingen van de Stichting ten gevolge van de bewoning niet of slechts gebrekkig kunnen worden gerealiseerd en dat deze uitleg - zoals hiervoor reeds betoogd - feitelijk en niet onbegrijpelijk is.
15. Middelonderdeel 4c ten slotte klaagt - kort gezegd - dat het Hof ten onrechte een aantal door [eiser] c.s. geponeerde stellingen omtrent de financiën van de Stichting onbesproken heeft gelaten. Deze klacht miskent - evenals de in de middelonderdelen 4a en 4b vervatte klachten - dat het Hof niet op iedere afzonderlijke stelling van eisers tot cassatie expliciet behoefde te responderen; het Hof heeft in de rechtsoverwegingen 5.11-5.22 zijn oordeel gegeven omtrent de financiële situatie van de Stichting en daarmee andersluidende stellingen van partijen verworpen. Hetgeen in het onderdeel door [eiser] c.s. naar voren wordt gebracht, maakt deze beoordeling niet onbegrijpelijk, waarbij voorop staat dat het hier een feitelijk oordeel betreft dat in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Voorzover het onderdeel klaagt dat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het (gedeelte) van het pas bij pleidooi - als productie 11 - overgelegde beleidsplan van de Stichting van februari 2001 en aan de eveneens pas bij het pleidooi - als productie 12 - overgelegde cijfers met toelichting op de voorziening groot onderhoud behorende bij de recente meerjarenplanning van november 2000 die voortbouwen op het als productie 5 bij memorie van grieven in het geding gebrachte rapport van de bouwkundig adviseur van de Stichting, geldt dat het Hof te dien aanzien heeft vastgesteld dat deze stukken bij brief van 2 april 2001 (het pleidooi vond plaats ter zitting van 6 april 2001) aan de procureur van [eiser] c.s. zijn toegezonden, in welke vaststelling het oordeel ligt besloten - een oordeel waartegen in cassatie niet wordt opgekomen - dat deze toezending voldoende tijdig is geweest. Voorts is gesteld noch gebleken dat [eiser] c.s. bezwaar hebben gemaakt tegen de overlegging van bedoelde producties. Voor het overige berust het oordeel van het Hof op een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de stellingen en producties van partijen.
Het voorwaardelijke incidentele cassatiemiddel
16. Nu het principale cassatiemiddel in al zijn onderdelen moet worden verworpen, gaat de voorwaarde waaronder het incidentele cassatiemiddel is ingesteld, niet in vervulling zodat het geen behandeling behoeft.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden