ECLI:NL:PHR:2003:AF5261
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontnemingsmaatregel bij handelen in effecten met voorkennis
In deze zaak stond de toepassing van de ontnemingsmaatregel centraal, waarbij het Gerechtshof Amsterdam aan de veroordeelde de verplichting oplegde een bedrag van f 21.502 te betalen aan de Staat, onder dreiging van vervanging door hechtenis. De veroordeelde voerde in cassatie aan dat een schadeloosstelling van f 4.950 die door een bank was betaald vanwege een te late uitvoering van een koopopdracht niet tot het wederrechtelijk verkregen voordeel gerekend mocht worden.
De Hoge Raad overwoog dat het begrip wederrechtelijk verkregen voordeel niet beperkt is tot het directe voordeel uit het strafbare feit, maar ook voordelen omvat die in zodanig verband staan met het feit dat ze slechts door het begaan ervan konden worden genoten. Dit sluit aan bij het doel van de ontnemingsmaatregel om de financiële situatie van de veroordeelde terug te brengen naar de toestand vóór het strafbare feit.
Daarmee oordeelde de Hoge Raad dat de schadeloosstelling door de bank terecht tot het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gerekend. Het middel faalde en het cassatieberoep werd verworpen. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel inclusief schadeloosstelling blijft gehandhaafd.