ECLI:NL:PHR:2003:AF5261

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01634/02 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a WteArt. 36e SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontnemingsmaatregel bij handelen in effecten met voorkennis

In deze zaak stond de toepassing van de ontnemingsmaatregel centraal, waarbij het Gerechtshof Amsterdam aan de veroordeelde de verplichting oplegde een bedrag van f 21.502 te betalen aan de Staat, onder dreiging van vervanging door hechtenis. De veroordeelde voerde in cassatie aan dat een schadeloosstelling van f 4.950 die door een bank was betaald vanwege een te late uitvoering van een koopopdracht niet tot het wederrechtelijk verkregen voordeel gerekend mocht worden.

De Hoge Raad overwoog dat het begrip wederrechtelijk verkregen voordeel niet beperkt is tot het directe voordeel uit het strafbare feit, maar ook voordelen omvat die in zodanig verband staan met het feit dat ze slechts door het begaan ervan konden worden genoten. Dit sluit aan bij het doel van de ontnemingsmaatregel om de financiële situatie van de veroordeelde terug te brengen naar de toestand vóór het strafbare feit.

Daarmee oordeelde de Hoge Raad dat de schadeloosstelling door de bank terecht tot het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gerekend. Het middel faalde en het cassatieberoep werd verworpen. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel inclusief schadeloosstelling blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 01634/02 P
Mr Wortel
Zitting: 11 februari 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker=betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd aan de Staat een bedrag van f 21.502,= te betalen, bij gebreke van volledige betaling of volledig verhaal te vervangen door 120 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. C.J. van Bavel, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
In de onderliggende strafzaak is eveneens cassatieberoep ingesteld (griffienummer 01104/02), en ook in die zaak concludeer ik heden.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door een bedrag van fl 4.950,= tot het wederrechtelijk verkregen voordeel te rekenen, aangezien dat bedrag als schadeloosstelling door een bank aan verzoeker is uitgekeerd en daarom in te ver verwijderd verband zou staan met het feit dat het voordeel heeft opgebracht.
4. Dat feit is gelegen in - kort gezegd - handelen in effecten met voorkennis (art. 31a Wte (oud)). Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft verzoeker een bank op vrijdag 18 augustus 1995 opdracht gegeven voor een bedrag van f 50.000,= certificaten van aandelen Pie Medical aan te kopen. Die order is pas op maandag 21 augustus 1995 uitgevoerd. De koers van het aandeel was in de tussenliggende tijd enigszins gestegen, waardoor de aandelen voor een hoger bedrag zijn aangekocht dan het geval zou zijn geweest indien de kooporder tijdig was uitgevoerd. Ter compensatie heeft de bank verzoeker een schadeloosstelling van f 4.950,= betaald.
5. Naar mijn inzicht dient onder het voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is gevolgd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr, niet alleen het voordeel te worden verstaan dat onmiddellijk uit het begaan van de de strafbare gedraging is voortgekomen, doch kan daartoe ook worden gerekend ieder voordeel dat met het feit in een zodanig verband staat dat aangenomen kan worden dat het slechts door het begaan van het feit kon worden genoten, vgl. M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel, blz. 257.
6. Dat strookt met het oogmerk van de in art. 36e Sr voorziene maatregel. Die strekt er immers toe de financiële situatie van de veroordeelde terug te brengen tot de toestand waarin die zich bevond vóór het begaan van het strafbare feit dat het voordeel heeft opgeleverd.
7. 's Hofs oordeel dat ook de schadevergoeding die de bank verzoeker heeft uitgekeerd voor het te laat uitvoeren van zijn - door voorkennis ingegeven - koopopdracht tot het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gerekend, getuigt mijns inziens dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk is.
8. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,