ECLI:NL:PHR:2003:AF5271
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking inzake rechthebbende inbeslaggenomen geldbedragen en verwijzing naar gerechtshof
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 28 mei 2002. De rechtbank had het klaagschrift van klager gegrond verklaard voor de teruggave van een SIM-kaart, maar ongegrond voor de teruggave van geldbedragen die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek waren inbeslaggenomen.
Klager voerde aan dat het geld spaargeld was van hemzelf en zijn minderjarige kinderen en dat hij als rechthebbende moest worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde echter dat niet buiten redelijke twijfel was vastgesteld dat klager rechthebbende was. De Hoge Raad stelde dat het begrip 'rechthebbende' in strafrechtelijke zin niet gelijk is aan het civielrechtelijke begrip 'eigenaar' en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom klager niet als rechthebbende kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad achtte de motivering van de rechtbank ontoereikend en vernietigde de beschikking. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling van het klaagschrift. Andere middelen van cassatie werden verworpen, waaronder een betoog over het Eerste Protocol bij het EVRM dat niet in cassatie aan de orde kon komen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt beschikking over rechthebbende van inbeslaggenomen geld en verwijst zaak terug naar gerechtshof.