AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling verzoek tot beperking openbaarheid zitting en bewijsweergave in strafzaak
In deze strafzaak is het cassatieberoep van de verdachte verworpen door de Hoge Raad. De verdachte was door het hof veroordeeld voor medeplegen van voorbereiden of bevorderen van een Opiumwetdelict, deelname aan een criminele organisatie, bezit van verboden wapens en medeplegen van de verkoop van MDMA.
Een centraal geschilpunt was de vraag of het verzoek van de voorzitter van het hof aan een deel van het publiek om de zittingszaal te verlaten, zonder dat dit een formeel bevel was, in strijd was met het beginsel van openbaarheid van de zitting. De Hoge Raad oordeelt dat dit verzoek niet als een bevel kan worden opgevat en dat het niet verplichtend was; bovendien is een deel van het publiek blijven zitten. Dit maakt het verzoek toelaatbaar en niet in strijd met de openbaarheid.
Daarnaast zijn middelen gericht tegen de wijze van weergave van bewijsmiddelen, de redengevendheid van bepaalde bewijzen en het gebruik van processtukken die niet tot het dossier behoren, verworpen. De Hoge Raad acht de werkwijze van het hof, hoewel niet wenselijk, niet onrechtmatig en constateert dat de vermeende fouten geen reden tot vernietiging geven.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de rechtmatigheid van het procesverloop en de bewijsvoering zoals door het hof toegepast, en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.
Conclusie
Nr.02109/02
Mr Jörg
Zitting 4 maart 2003
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 12 maart 2002 ter zake van 1. medeplegen van voorbereiden of bevorderen van een in artikel 10, derde of vierde lid, Opiumwet bedoeld feit, 2. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, 3. het voorhanden hebben van verboden wapens en munitie en 4. medeplegen van verkopen en afleveren van MDMA, meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken [medeverdachte 1], nr. 02107/02, en [medeverdachte 2], nr. 2108/02, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens verzoekster heeft mr G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel bepleit dat de behandeling van de zaak door het hof voor een deel niet openbaar is geweest zonder dat zich een van de wettelijke uitzonderingssituaties heeft voorgedaan, althans dat de processuele en motiveringsvoorschriften met betrekking tot beperking van de openbaarheid niet zijn nageleefd.
5. Het middel doelt op een voorval ter zitting van het hof van 22 februari 2002, waarvan het volgende blijkt uit het proces-verbaal:
"De voorzitter verzoekt de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en een gedeelte van het publiek de zaal te verlaten teneinde de verdachte en diens (bedoeld zal zijn: haar, NJ) raadsman, buiten aanwezigheid van anderen dan direct betrokkenen, in de gelegenheid te stellen mededelingen te doen omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Men geeft hieraan gevolg."
Verzoekster heeft vervolgens haar persoonlijke omstandigheden aan het hof toegelicht. Het proces-verbaal vervolgt dan met de mededeling:
"Hierna wordt de zitting weer in aanwezigheid van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], hun raadslieden en de rest van het publiek voortgezet."
6. Naar mijn mening kan deze passage niet worden opgevat als een bevel tot sluiting der deuren als bedoeld in artikel 269 SvPro. Er is immers niets bevolen maar slechts verzocht en dat niet door het hof maar door de voorzitter. Ik lees het proces-verbaal aldus dat de voorzitter met het oog op de straftoemeting een gedetailleerd beeld heeft willen krijgen van relevante aspecten van het privéleven van verzoekster en dat hij heeft beseft dat verzoekster zich vrijer zou voelen in het verstrekken van die informatie buiten aanwezigheid van haar medeverdachten en hun in de zittingszaal verzamelde gevolg, en dat hij in dat kader deze laatsten heeft verzocht de zaal te verlaten. Naast de omstandigheid dat het blijkens het proces-verbaal niet om een bevel van het hof maar om een verzoek van de voorzitter ging, pleit voor deze lezing dat de overige procesdeelnemers niet zijn gehoord omtrent een eventuele sluiting van de deuren (hetgeen art. 269, tweede lid, Sv voorschrijft); dat het proces-verbaal niet de gewichtige redenen vermeldt die aan zo'n bevel ten grondslag moeten liggen (art. 269, derde lid, Sv en art. 4, tweede lid, Wet RO), en dat kennelijk een deel van het publiek is blijven zitten (zonder dat aan dat deel bijzondere toegang is verleend: vierde lid van art 269 SvPro).
7. Voor zover het middel bepleit dat het hof een bevel tot sluiting van de deuren heeft gegeven, faalt het m.i. dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
8. Rest de vraag of een verzoek als hier aan de orde niet op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het beginsel van openbaarheid van de zitting.
9. Het algemene beeld van de rechtspraak van de Hoge Raad is dat van een strikte toepassing van de openbaarheidseis. Ik noem: HR 3 maart 1959, NJ 1959, 149, m.nt. WP; HR 29 januari 1985, NJ 1985, 514, m.nt. ThWvV; HR 23 september 1986, NJ 1987, 305; HR 12 februari 1991, NJ 1991, 479; HR 4 april 2000, NJ 2000, 633 m.nt.'tH. Ik wil op de rechtsvergelijkende conclusie van mijn ambtgenoot Machielse wijzen, voorafgaande aan HR 9 juli 2002, NJ 2002,498, met name op het vermelde in onderdeel 3.6 van die conclusie. Daarin wordt betoogd:
3.6. De vraag rijst dan of zo een verzoek toch niet door de beugel kan, mits de leden van het publiek het verzoek niet als dwingend hebben ervaren. Ik verwijs naar Duitse rechtspraak waar dezelfde toedracht enige malen aan de BGH is voorgelegd. Het thema is dan of een verzoek van de voorzitter aan (een deel van) het publiek om de zaal te verlaten in strijd is met het gebod van openbaarheid. Als de voorzitter zo een verzoek doet in een geval waarin de wet niet in uitsluiting van de openbaarheid voorziet ligt vernietiging voor de hand:
Der Ausschlusz der Öffentlichkeit kann nur unter bestimmten, im Gesetz niedergelegten Voraussetzungen beschlossen werden. Liegen sie nicht vor, darf ein Ausschlusz nicht erfolgen; es ist auch nicht erlaubt, diesen Ausschlusz auf freiwilliger Basis zu erreichen. Würde so verfahren werden können, würde dies im Ergebnis zu einer Umgehung des Öffentlichkeitsgrundsatzes () und damit tatsächlich zu einer Ausserkraftsetzung der gesetzlichen Regelung der §§ 169ff GVG führen ().
Wanneer de wet wel de mogelijkheid biedt de openbaarheid uit te sluiten kan de voorzitter wel aan het publiek verzoeken de zaal te verlaten. Maar alleen wanneer duidelijk is dat het slechts om een niet-verplichtend verzoek gaat en dat het verzoek ook niet een voorbode van een bevel tot ontruiming is als het publiek aan het verzoek geen gehoor geeft, blijft vernietiging achterwege. Dat het publiek het verzoek niet als een bevel ervaart kan blijken uit het feit dat enige aanwezigen niet aan het verzoek van de voorzitter voldoen en dan ook tijdens het verdere verloop van de zitting aanwezig () kunnen blijven:
Folgt ein Zuhörer einer vom Vorsitzenden mit sachbezogener Begründung ausgesprochenen "Bitte", den Sitzungssaal zu verlassen, freiwillig, so liegt darin nach der Rechtsprechung des BGH noch kein die Revision begründender Verstoss gegen den Öffentlichkeitsgrundsatz (). Anders verhielt es sich nach den vorgenannten Entscheidungen allerdings dann, wenn die "Bitte" in Wahrheit den Charakter einer Anordnung hatte. Dies lässt sich hier jedoch nicht feststellen ().
10. Redenerend langs deze lijnen lijkt mij dat in deze zaak is voldaan aan de door het BGH gestelde voorwaarden voor toelaatbaarheid van een verzoek aan een deel van het publiek om de zittingszaal te verlaten. In beginsel staat artikel 269, eerste lid, Sv immers toe dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding kunnen geven tot het sluiten der deuren, als een uitzondering op de in artikel 4 WetPro RO en artikel 121 GrondwetPro voorgeschreven openbaarheid van de zitting, zij het dat de motivering "om de verdachte enige persoonlijke vragen te stellen" onvoldoende de gewichtige redenen aangeeft die 4 Wet RO eist (HR NJ 1959, 149; opmerking verdient dat het oude art. 273 SvPro niet de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als grond voor sluiting der deuren bevatte). Verder blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in voldoende mate dat het om een niet verplichtend verzoek ging en dat dit ook op degenen tot wie het was gericht als zodanig is overgekomen. Dezen hebben immers aan het verzoek "gevolg gegeven". Uit het proces-verbaal blijkt voorts niets waaruit zou moeten worden afgeleid dat het verzoek door degenen tot wie het was gericht als een voorbode van een bevel tot sluiting der deuren zou kunnen zijn opgevat.
11. Van belang acht ik ook dat de openbaarheid onverkort is gehandhaafd voor dat gedeelte van het publiek dat kennelijk is blijven zitten. In dit opzicht zou ik in navolging van het BGH, het verzoek in dit geval toelaatbaar willen achten. De externe openbaarheid is niet beknot doordat de 'niet direct betrokkenen' vrijwillig gehoor hebben gegeven aan dit verzoek. In die vrijwilligheid schuilt het wezenlijke verschil met de omstandigheden in de zaak die leidde tot het arrest HR 4 april 2000, NJ 2000, 633. In die zaak had het hof evenmin de deuren gesloten maar zich in gezelschap van de raadsman en de A-G in raadkamer teruggetrokken, voor de toelichting op het verzoek van de verdediging een bepaalde getuige te horen. De HR oordeelde dat wat zich daar had afgespeeld bezwaarlijk anders kon worden gezien dan als een onderdeel van de terechtzitting, dat zich ten onrechte niet in het openbaar had afgespeeld. Over het buiten aanwezigheid van de verdediging en het OM horen van een getuige achter gesloten deuren heeft Uw Raad zijn anathema uitgesproken (HR 20 april 1999, NJ 1999, 677 m.nt.'tH).
12. Mijn slotsom luidt dus dat het middel faalt.
13. Het tweede middel betreft de wijze van weergave van de bewijsmiddelen. Het hof heeft de bewijsmiddelen weergegeven door de naar zijn oordeel niet relevante passages uit de stukken waarin de bewijsmiddelen zijn opgenomen weg te strepen. Het middel betoogt, onder verwijzing naar mijn conclusie voor de zaak HR 25 juni 2002, LJN AE2742, dat deze wijze van aanduiding van de bewijsmiddelen niet voldoet aan de daaraan door artikel 6, derde lid, letter b, EVRM en artikel 359, eerste en derde lid, SV gestelde eisen.
14. Ik maak uit het uitblijven van een reactie op mijn (ambtshalve gemaakte) opmerkingen in de vermelde conclusie op dat de Hoge Raad mijn standpunt in dezen niet deelt. Overigens strekte mijn betoog niet tot vernietiging van het in die zaak bestreden arrest. Het doel daarvan was duidelijk te maken dat deze werkwijze ongewenst is. Dat vind ik nog steeds. Het komt er in deze - omvangrijke - zaak toch op neer dat er een dik pak van diagonale strepen voorziene fotokopieën van processen-verbaal e.a. naar de Hoge Raad wordt opgestuurd (op welke fotokopieën meermalen slechts een enkel zinnetje niet is doorgehaald), waarachter een werkwijze schuilgaat die in schril contrast staat met de keurige, bondige en inzichtelijke wijze waarop de rechtbank zich in dezen van haar taak om een begrijpelijke bewijsconstructie op te schrijven heeft gekweten. De opvatting van het middel dat door deze werkwijze niet zou zijn voldaan aan de genoemde bepalingen deel ik echter niet.
15. Het middel faalt.
16. Het derde middel bestrijdt de redengevendheid van bewijsmiddel 3, voor zover daarin is vermeld dat door een van de medeverdachten van verzoekster een vrachtwagen is gehuurd waarvan de kilometerstand op het moment van verhuur 27905 was en later - op het moment van inbeslagname - 27395.
17. Het betreft hier een kennelijke verschrijving. Uit het proces-verbaal waaruit het bewijsmiddel stamt, blijkt dat de kilometerstand op het moment van inbeslagname niet 27395 bedroeg maar 27935. De Hoge Raad kan dit verbeterd lezen. Overigens ontgaat mij in de onderhavige zaak de redengevende kracht van de kilometerstanden, maar dit terzijde.
18. Het vierde middel betreft de verwijzing door het hof naar een proces-verbaal van 30 mei 2001, dat niet tot de stukken van het geding behoort.
19. De onderhavige zaak is door het hof gelijktijdig behandeld met de hierboven onder 2 vermelde zaken, met dat verschil dat in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op de zitting van 3 mei 2001 terwijl de eerste zitting in deze zaak plaatsvond op 25 oktober 2001. Dit is ook aan de steller van het middel niet voorbijgegaan. De verwijzing door het hof naar het proces-verbaal van de zitting van 30 mei 2001 berust dus op een kennelijk 'knip en plak'-misslag door het hof. De afwijzende beslissing van 30 mei 2001 waar het hof op doelt, is in deze zaak niet relevant omdat het verzoek waarop die beslissing ziet in deze zaak niet is gedaan. Ook dit middel faalt.
20. De middelen falen en kunnen met uitzondering van het eerste middel worden afgedaan met de aan artikel 81 ROPro ontleende overweging. Gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.