ECLI:NL:PHR:2003:AF5416
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitlevering naar België ter executie van verstekvonnis niet ontoelaatbaar ondanks art. 6 EVRM-verweer
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon door België aan Nederland ter executie van een verstekvonnis. De Rechtbank Maastricht had de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar het verweer werd gevoerd dat het Belgische verstekvonnis in strijd is met art. 6 EVRM Pro, het recht op een eerlijk proces.
De Hoge Raad overwoog dat het verstekvonnis door het Belgische Hof van beroep te Gent op 11 juni 1996 was gewezen en dat het verzet tegen dit vonnis op 25 juni 2002 door dat hof als ontoelaatbaar was verklaard. Het daarop ingestelde cassatieberoep bij het Belgische Hof van Cassatie was op 15 oktober 2002 verworpen, waardoor het arrest onherroepelijk werd.
De Hoge Raad stelde dat het uitleveringsverzoek op dat moment moest worden opgevat als een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging, maar dat de strafvervolging feitelijk was voltooid. Daarom moest de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot uitlevering. Een inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep was niet praktisch meer relevant.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege schending van art. 6 EVRM Pro en oordeelde dat het middel geen bespreking behoeft. De bestreden uitspraak werd vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Uitkomst: De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot uitlevering wegens voltooiing van de strafvervolging.