ECLI:NL:PHR:2003:AF5416

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02329/02 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering naar België ter executie van verstekvonnis niet ontoelaatbaar ondanks art. 6 EVRM-verweer

De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon door België aan Nederland ter executie van een verstekvonnis. De Rechtbank Maastricht had de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar het verweer werd gevoerd dat het Belgische verstekvonnis in strijd is met art. 6 EVRM Pro, het recht op een eerlijk proces.

De Hoge Raad overwoog dat het verstekvonnis door het Belgische Hof van beroep te Gent op 11 juni 1996 was gewezen en dat het verzet tegen dit vonnis op 25 juni 2002 door dat hof als ontoelaatbaar was verklaard. Het daarop ingestelde cassatieberoep bij het Belgische Hof van Cassatie was op 15 oktober 2002 verworpen, waardoor het arrest onherroepelijk werd.

De Hoge Raad stelde dat het uitleveringsverzoek op dat moment moest worden opgevat als een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging, maar dat de strafvervolging feitelijk was voltooid. Daarom moest de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot uitlevering. Een inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep was niet praktisch meer relevant.

De Hoge Raad verwierp het verweer dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege schending van art. 6 EVRM Pro en oordeelde dat het middel geen bespreking behoeft. De bestreden uitspraak werd vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Uitkomst: De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot uitlevering wegens voltooiing van de strafvervolging.

Conclusie

Nr. 02329/02 U
Mr. Vellinga
Zitting: 18 februari 2003
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. Bij uitspraak van 17 september 2002 heeft de Rechtbank te Maastricht de door het Koninkrijk België verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging toelaatbaar verklaard.
2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Blijkens de beslissing van de Rechtbank is de opgeëiste persoon door het Hof van beroep te Gent op 11 juni 1996 bij verstek veroordeeld. Dit arrest werd op 10 juli 1996 aan de opgeëiste persoon betekend, waarna door hem op 10 mei 2002 verzet werd aangetekend. Het Hof van beroep te Gent heeft het verzet op 25 juni 2002 ontoelaatbaar verklaard. Hiertegen heeft de opgeëiste persoon op 25 juni 2002 beroep in cassatie ingesteld bij het Belgische Hof van Cassatie.
4. Deze gang van zaken was voor de Rechtbank aanleiding het verzoek tot uitlevering - na onderzoek en in afwijking van de opvatting van de officier van justitie - op te vatten als een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging. Het uitleveringsverzoek liet daartoe ook de ruimte omdat dit in het midden liet of het om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging of ter executie ging.
5. Uit bij het Bureau Internationale Rechtshulp in strafzaken van het Ministerie van Justitie ingewonnen informatie is gebleken dat het cassatieberoep inmiddels bij arrest van 15 oktober 2002 is verworpen en dat daarmee het arrest van het Hof van beroep te Gent van 25 juni 2002 onherroepelijk is geworden (en daarmee tevens het arrest van 11 juni 1996 waarbij de opgeëiste persoon werd veroordeeld).
6. In cassatie kan dit nieuwe feit moeilijk worden genegeerd. Welke beslissing ook op het beroep in cassatie wordt genomen, zo lang deze is gebaseerd op een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging heeft deze geen praktische betekenis meer. De strafvervolging is immers al voltooid. Het meest voor de hand liggend lijkt mij om nu aan te sluiten bij de rechtspraak in geval een verzoek tot uitlevering ten tijde van de behandeling van het beroep in cassatie al voltooid is. Dan pleegt de officier van justitie in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek niet ontvankelijk te worden verklaard, omdat - zoals ook in het onderhavige geval - de grondslag aan zijn vordering is komen te ontvallen(1). Die beslissing sta ik in het onderhavige geval ook voor. Daarbij zou uitdrukkelijk kunnen worden overwogen dat die beslissing niet in de weg staat aan het in behandeling nemen van een nieuw verzoek tot uitlevering, nu ter executie.
7. Ik heb mij afgevraagd of de Hoge Raad de zaak op basis van het bestaande verzoek ook zelf inhoudelijk zou kunnen afdoen. Dat zou dan zo in zijn werk moeten gaan dat de beslissing van de Rechtbank wordt vernietigd omdat de Rechtbank het verzoek ten onrechte als een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging heeft opgevat, en de zaak vervolgens wordt afgedaan op basis van een als verzoek tot uitlevering ter executie te verstaan verzoek. Deze oplossing heeft mijn voorkeur niet omdat het proces in cassatie dan wordt gevoerd op een andere grondslag dan het proces in eerste aanleg en daarmee geheel wordt voorbijgegaan aan hetgeen daar met het oog op het verzoek zoals het oorspronkelijk werd verstaan te berde is gebracht, zowel van de zijde van het openbaar ministerie als van de zijde van de verdediging. Ook anderszins acht ik deze oplossing bezwaarlijk. Deze vergt immers fors ambtshalve ingrijpen en nog wel ten nadele van de opgeëiste persoon, hetgeen in strijd is met bestendig beleid van de Hoge Raad(2).
8. Het voorgaande brengt mee dat het middel geen bespreking behoeft.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat de Officier van Justitie in zijn vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 25 oktober 1977, NJ 1978, 229, HR 4 oktober 1988, DD 89.054. Zie voor andere gevallen van niet-ontvankelijkverklaring Keijzer, Handboek strafzaken, (april 2002) 91-10, blz. 1
2 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vierde druk, blz. 131