ECLI:NL:PHR:2003:AF5420
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over uitlevering Nederlander aan VS wegens MDMA-invoer en witwassen
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem verklaarde op 27 september 2002 de uitlevering van een Nederlander aan de Verenigde Staten toelaatbaar wegens betrokkenheid bij invoer van MDMA, deelname aan een criminele organisatie en witwassen. De verdachte stelde cassatieberoep in met twee middelen: het niet beslissen op een verzoek tot schorsing van de behandeling voor nadere informatie en het ontbreken van een juiste feitelijke motivering in het uitleveringsvonnis.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet aan de uitleveringsrechter is om de rechtmatigheid van het buitenlandse opsporingsonderzoek te toetsen, tenzij er een reëel risico is op flagrante schending van EVRM-rechten, wat niet aannemelijk werd geacht. Het eerste middel faalt daarom. Het tweede middel slaagt omdat de rechtbank niet voldeed aan art. 28, derde lid, Uitleveringswet door onvoldoende feitelijke gegevens te vermelden en niet de toepasselijke wetsbepaling art. 47 Sr Pro te noemen.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis gedeeltelijk, beveelt vermelding van art. 47 Sr Pro en bevestigt dat uitlevering toelaatbaar is voor de feiten zoals omschreven in de Amerikaanse stukken. Tevens bespreekt de Hoge Raad dat de uitlevering voor witwassen in de periode waarin dit nog niet strafbaar was in Nederland, een facultatieve weigeringsgrond kan opleveren, maar dat dit niet aan de uitleveringsrechter maar aan de Minister van Justitie toekomt.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige feitelijke motivering bij uitleveringsbeslissingen en de taakverdeling tussen rechter en Minister bij uitleveringsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis deels wegens onvolledige feitelijke motivering en bevestigt de toelaatbaarheid van uitlevering onder art. 47 Sr.