4. Het bestreden vonnis houdt op dit punt in:
"T.a.v. feiten 1. en 2: Ontslag van alle rechtsvervolging.
In artikel 108, eerste lid, WVW 1994 zijn enkele uitzonderingen op de rijbewijsplicht van art. 107, eerste lid, WVW 1994 geformuleerd. Onderdeel g. van art. 108, eerste lid, geeft aan dat de rijbewijsplicht niet van toepassing is op bestuurders van motorrijtuigen, "indien die bestuurders in Nederland woonachtig zijn en aan hen door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden, zo lang sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken".
Voor de in deze zaak te nemen beslissing zijn de volgende feiten van belang:
- de verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten in het bezit van een Antilliaans Rijbewijs, waarvan de geldigheidsduur niet was verstreken;
- enige dagen voor 17 september 1998 heeft de verdachte zich voor de eerste keer in Nederland gevestigd en zich met ingang van genoemde datum bij de gemeente [woonplaats] laten inschrijven in het Bevolkingsregister;
- op dat moment was de verdachte reeds in het bezit van het genoemde Antilliaans rijbewijs;
- tot 5 juli 1999 is de verdachte op diverse adressen in de gemeente [woonplaats] ingeschreven geweest, laatstelijk op het adres [a-straat 1] te [woonplaats];
- kort na 5 juli 1999 is de verdachte vertrokken naar de Nederlandse Antillen, met de bedoeling zich daar weer te vestigen;
- wegens het ontbreken van uitzicht op werk heeft de verdachte afgezien van vestiging op de Nederlandse Antillen en is hij kort voor 18 augustus 1999 weer teruggekeerd naar Nederland;
- vanaf 18 augustus 1999 heeft hij zich bij de gemeente [woonplaats] weer laten inschrijven op het adres [a-straat 1] te [woonplaats];
- in de periode van zijn verblijf op de Nederlandse Antillen is de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] op naam van verdachte blijven staan, doch werd deze woning gebruikt door de broer van verdachte. De woning werd niet overgeschreven op naam van de broer van verdachte om problemen met de verhuurder van de woning te voorkomen.
In de periode vanaf de datum van eerste vestiging in Nederland tot aan zijn vertrek naar de Nederlandse Antillen kort na 5 juli 1999 zijn meer dan 185 dagen (als bedoeld in art. 108, lid 1 onder g., WVW 1994) verstreken. De rechter is evenwel van oordeel dat het verstrijken van deze 185 dagen-termijn niet van belang is voor de beoordeling van de strafbaarheid van de bewezen verklaarde gedragingen op 10 september 1999 en 6 oktober 1999. Het vertrek van de verdachte uit Nederland (niet voor vakantie, doch met de bedoeling om zich wederom op de Nederlandse Antillen te vestigen) en de hernieuwde vestiging in [woonplaats] kort voor 18 augustus 1999 hebben naar het oordeel van de rechter tot gevolg dat vanaf de datum van tweede vestiging in Nederland opnieuw een termijn van 185 dagen is gaan lopen. De consequentie is dat de verdachte bij het besturen van een motorrijtuig gebruik mocht maken van het hem op de Nederlandse Antillen uitgereikte rijbewijs, zodat de bewezen verklaarde feiten niet strafbaar zijn."