ECLI:NL:PHR:2003:AF5456
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid aangifte meineed door Parlementaire Enquêtecommissie en toepassing nemo tenetur-beginsel
Deze zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een strafzaak tegen verdachte wegens meineed en bedreiging van een getuige. Centraal staat de beoordeling van de rechtmatigheid van de aangifte van meineed door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) en de toepassing van het nemo tenetur-beginsel.
De verdediging stelde dat de aangifte onrechtmatig was omdat deze gebaseerd was op verklaringen van een betrokkene die onder een uitdrukkelijke geheimhouding had verklaard in een besloten gesprek met de PEC. Het hof oordeelde dat het besloten gesprek een informeel karakter had en op vrijwilligheid berustte, en dat de PEC de belangenafweging tussen strafrechtelijk onderzoek en bescherming van persoonlijke levenssfeer zorgvuldig had gemaakt. De verklaringen waren rechtmatig verkregen en mochten worden gebruikt.
Verder werd het verweer besproken dat verdachte door het ontbreken van een verschoningsrecht en de druk van het verhoor door de PEC zijn nemo tenetur-recht was geschonden. De Hoge Raad bevestigde dat het nemo tenetur-beginsel niet werd geschonden omdat verdachte de mogelijkheid had om te zwijgen, zich te laten bijstaan en dat de verklaringen niet onder dwang waren afgelegd. Ook het bewijsverbod van artikel 24 WPE Pro geldt niet voor meinedige verklaringen.
De Hoge Raad concludeert dat het openbaar ministerie niet niet-ontvankelijk verklaard hoeft te worden en dat de bewijsvoering rechtmatig is. De belangen van verdachte zijn niet geschonden en de procedure voldoet aan de vereisten van een eerlijk proces.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de aangifte van meineed door de Parlementaire Enquêtecommissie rechtmatig was en dat het nemo tenetur-beginsel niet is geschonden.