ECLI:NL:PHR:2003:AF5550

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/067HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling draagkracht vader voor kinderalimentatie bij medische beperkingen

Partijen zijn gescheiden ouders van een minderjarige dochter. De moeder verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie te verhogen tot 350 gulden per maand, omdat de vader in staat zou zijn een inkomen te verwerven. De vader stelde zich op het standpunt dat hij wegens psychische problemen niet kan werken en daarom geen draagkracht heeft. Hij overhandigde verklaringen van een reïntegratiebedrijf en een GGD-Indicatiebureau.

De rechtbank oordeelde dat de vader onvoldoende bewijs had geleverd van zijn arbeidsongeschiktheid en wees het verzoek van de moeder toe. Het hof bevestigde dit oordeel en merkte op dat de medische verklaringen niet recent en niet deugdelijk waren, en dat de vader geen recente sollicitatiebrieven had overgelegd. De geldigheidsduur van de GGD-indicatie was bovendien verstreken.

De vader stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, stellende dat het hof ten onrechte het GGD-rapport niet had meegewogen en onterecht had gewezen op het ontbreken van sollicitatiebrieven. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat de vader onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was inkomen te genereren.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vader onvoldoende medische bewijs heeft geleverd en wijst het cassatieberoep af, waardoor de alimentatieverplichting blijft.

Conclusie

Rekestnummer R02/067HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 3 maart 2003
Conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
[Verweerster]
Inleiding
1. In deze zaak staat tussen partijen - hierna ook: de vader en de moeder - het volgende vast:
i) Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is - op 11 december 1986 - geboren de thans nog minderjarige [dochter].
ii) Bij vonnis van 13 juni 1989 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welk vonnis op 27 december 1989 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
iii) Bij vonnis van 27 december 1989 is de moeder tot voogdes en de vader tot toeziend voogd over de minderjarige dochter benoemd. De dochter verblijft sinds het uiteengaan van partijen feitelijk bij de moeder.
2. Bij inleidend verzoekschrift dat op 29 januari 2001 bij de Rechtbank te 's-Gravenhage is ingekomen, heeft de moeder verzocht de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2001 te bepalen op f 350,- per maand dan wel op een zodanig bedrag als de Rechtbank meent te behoren. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de vader, die autospuiter is, in staat moet worden geacht zich een zodanig inkomen te verwerven dat hij een wezenlijke bijdrage kan leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter van partijen.
De vader heeft zich tegen het verzoek van de moeder verweerd, stellende dat hij geen draagkracht heeft om enige onderhoudsbijdrage te voldoen. Hij voerde daartoe aan dat hij in de periode vanaf 1 juli 2000 tot 18 januari 2001 een WW- en/of Ziektewetuitkering van f 1440,62 heeft ontvangen en dat hij vanaf 18 januari 2001 recht heeft op een bijstandsuitkering.
Bij de behandeling ter zitting (op 26 juni 2001) heeft de vader - onder verwijzing naar een door hem ter zitting overgelegde verklaring van reïntegratiebedrijf KLIQ d.d. 19 februari 2001 - verklaard dat hij wegens psychische problemen niet in staat is te werken en dat hij vanaf 1 januari 2000 onder behandeling staat van een psychiater omdat hij op zijn vorige werkplek werd gediscrimineerd. De moeder heeft daarop betoogd dat de door de vader overgelegde verklaring geen bewijs oplevert van de stelling van de vader dat hij niet langer in staat is om te werken. De Rechtbank heeft daarop medegedeeld - naar blijkt uit het zich bij de gedingstukken bevindende proces-verbaal - dat aan de vader gelegenheid wordt geboden een medische verklaring over te leggen.
3. Bij beschikking van 7 augustus 2001 heeft de Rechtbank de door de vader te betalen bijdrage met ingang van 1 juli 2000 bepaald op f 350,- per maand. Zij overwoog daartoe als volgt. Uit de door de vader overgelegde verklaring van reïntegratiebedrijf KLIQ d.d. 19 februari 2001 kan niet de conclusie worden getrokken dat de vader op advies van een terzake deskundige op het gebied van psychische klachten zijn werkzaamheden heeft moeten beëindigen. Integendeel, uit het door de moeder overgelegde faxbericht van een coach werkzaam bij KLIQ blijkt dat het bemiddelingstraject is beëindigd uitsluitend op grond van hetgeen de vader tijdens begeleidingsgesprekken met haar heeft aangegeven. Nu de vader geen stukken heeft overgelegd die daadwerkelijk inzicht geven in de - gestelde - ernst van zijn medische situatie, is de Rechtbank van oordeel dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is inkomen uit arbeid te genereren, zodat het verzoek van de moeder als redelijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven zal worden toegewezen.
4. De vader heeft daarop hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage en heeft daarbij als grief aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte overweegt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens psychische problemen niet in staat is te werken. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat hij thans is aangewezen op een bijstandsuitkering en dat hij in verband met zijn beschikbaarheid voor werk is gekeurd door een GGD-arts die hem niet geschikt heeft geacht voor zijn werk. Hij heeft (als productie 5 bij zijn memorie van grieven) overgelegd de Indicatie voor SZW/wijkkantoor, afkomstig van het GGD/Indicatiebureau en ingekomen bij DSWZ op 7 augustus 2001, waarin het volgende staat vermeld:
primaire indicatie: Op basis van de sociaal-medische beoordeling in het kader van de bijstandswet beoordeelt de arts van het indicatiebureau de client: niet arbeidsgeschikt:
bepaalde periode
er zijn beperkingen: sociaal-medische redenen
de beperkingen zijn: stabiel
geldigheidsduur 6 maanden
indicatie:
Ter zitting van 26 april 2002 heeft de vader betoogd dat hij wegens medische redenen niet in staat is te werken en dat de door hem overgelegde verklaring van de GGD van belang is. De moeder heeft betoogd dat de vader niet heeft aangetoond dat hij niet kan werken wegens gezondheidsredenen. De brief van KLIQ d.d. 10 juli 2001 is geen medische verklaring en de indicatie van de GGD d.d. 7 augustus 2001 heeft een geldigheidsduur van 6 maanden, welke termijn inmiddels is verstreken; aldus de moeder.
5. Het Hof heeft de bestreden beschikking op 29 mei 2002 bekrachtigd. Het Hof stelde daartoe - in rechtsoverweging 6 - voorop het oordeel van de Rechtbank te onderschrijven dat uit de door de vader overgelegde verklaring van het rentegratiebedrijf van 19 februari 2001 niet de conclusie kan worden getrokken dat de vader op advies van een deskundige op het gebied van psychische klachten zijn werkzaamheden heeft moeten beëindigen. Het heeft voorts overwogen van oordeel te zijn "dat de vader geen recente deugdelijke medische verklaringen heeft overgelegd die daadwerkelijk inzicht geven in de door hem gestelde ernst van zijn medische situatie". Het Hof heeft vastgesteld dat de vader geen recente sollicitatiebrieven heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij actief solliciteert. Het Hof kwam aldus tot de slotsom "gezien de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting" dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is inkomen uit arbeid te genereren en dat de bestreden beschikking derhalve nog steeds overeenkomstig de wettelijke maatstaven is en daarom moet worden bekrachtigd.
6. De vader heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift ingediend waarin zij concludeert tot verwerping van het beroep.
Het cassatiemiddel
7. Het middel bestrijdt als onjuist en onvoldoende gemotiveerd de hiervoor weergegeven rechtsoverweging 6 van 's Hofs beschikking. Het middel voert daartoe aan dat het Hof met zijn overweging van de vader geen recente deugdelijke medische verklaring heeft overgelegd die daadwerkelijk inzicht geeft in de door hem gestelde ernst van de medische situatie, is voorbijgegaan aan het schrijven van het GGD/Indicatiebureau dat de vader in de appelprocedure als productie 5 heeft overgelegd. Het middel citeert uit dit schrijven. Het middel klaagt voorts dat het Hof, zo het rekening had gehouden met de aantoonbare medische belemmeringen van de vader om te werken, niet had mogen overwegen dat er door de vader geen recente sollicitatiebrieven zijn overgelegd.
8. Het middel geeft bij zijn citaat uit het schrijven van het GGD/Indicatiebureau de in dat schrijven neergelegde indicatie weer: "niet-arbeidsgeschikt: bepaalde periode". Het middel vermeldt daarbij evenwel niet dat in dat schrijven voorts staat vermeld dat de geldigheidsduur van de indicatie 6 maanden bedraagt. De moeder heeft bij de mondelinge behandeling ter terechtzitting van het Hof - zoals hiervoor onder 4 aangegeven - op die beperkte geldigheidsduur gewezen alsmede op het feit dat deze geldigheidsduur reeds was verstreken.
Met zijn overweging dat de vader geen recente deugdelijke medische verklaringen heeft overgelegd die daadwerkelijk inzicht geven in de door hem gestelde ernst van zijn medische situatie, heeft het Hof niet voorbijgezien aan het schrijven van het GGD/Indicatiebureau. In deze overweging ligt besloten - zoals met name ook blijkt uit het gebruik door het Hof van het woord "recente" en uit 's Hofs verwijzing naar het verhandelde ter terechtzitting - dat het Hof het betoog van de moeder onderschrijft dat aan bedoeld schrijven geen betekenis kan worden gehecht omdat de daar gegeven indicatie een geldigheidsduur heeft van 6 maanden en deze termijn reeds ten tijde van de mondelinge behandeling ter terechtzitting was verstreken. Het middel mist aldus feitelijke grondslag. In het midden kan dan ook blijven in hoeverre de rechter, die bij de bepaling van de draagkracht gehouden is tot een zelfstandige beoordeling van de relevante omstandigheden, zich mag en moet richten naar de besluiten en maatregelen afkomstig van publiekrechtelijke (uitkerings-)instanties: vgl. HR 23 september 1994, NJ 1995, 25 met een uitvoerige conclusie van de toenmalige A-G Van Soest; zie ook Asser-De Boer, 15e druk 1998, nr. 625; zie voorts HR 17 januari 1997 (m.n. rechtsoverweging 3.5), NJ 1997, 472, m.nt. JdB.
De in het middel vervatte klacht over het ontbreken van recente solliciatiebrieven bouwt voort op de zojuist besproken klacht en moet het lot daarvan delen.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden