ECLI:NL:PHR:2003:AF5553
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over motivering en devolutieve werking in alimentatiegeschil na echtscheiding
In deze echtscheidingsprocedure staat de vraag centraal of en hoeveel alimentatie de man aan de vrouw moet betalen. Na ontbinding van het huwelijk werd aanvankelijk een voorlopige alimentatie vastgesteld, maar de rechtbank wees het verzoek van de vrouw tot vaststelling van alimentatie af. De vrouw stelde hoger beroep in, waarna het hof de beschikking van de rechtbank vernietigde en een alimentatiebedrag vaststelde. De man stelde cassatie in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad behandelt twee klachten van de man: het niet behandelen door het hof van zijn primaire verweer dat partijen hadden afgesproken dat de vrouw geen alimentatie meer zou ontvangen na boedelscheiding, en de motivering van het rendementspercentage dat het hof hanteerde bij de berekening van de alimentatiebehoefte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onterecht het primaire verweer onbesproken heeft gelaten, wat in strijd is met de devolutieve werking van het appel en motiveringseisen.
Daarnaast wijst de Hoge Raad erop dat motiveringseisen bij alimentatiebeschikkingen niet hoog zijn en dat het hof voldoende vrijheid heeft bij het bepalen van het rendementspercentage. De klacht over het rendementspercentage van 4% faalt omdat het hof dit percentage redelijk heeft gekozen, aansluitend bij het door de fiscus gehanteerde fictieve vermogensrendement.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het primaire verweer van de man en nadere motivering door het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het primaire verweer en nadere motivering.