ECLI:NL:PHR:2003:AF5691
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens toepassing vervallen strafrechtelijke bepalingen en bepaalt taakstraf
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor diefstal in vereniging op 21 juni 2001 en kreeg een straf van 240 uur onbetaalde arbeid opgelegd. Verdachte had aanvankelijk bekend, maar kwam in hoger beroep deels op zijn bekentenis terug. Zijn raadsman verzocht om medeverdachte als getuige op te roepen om de verdediging te ondersteunen, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaf hanteerde bij de afwijzing van het verzoek en dat verdachte door het niet horen van de getuige niet in zijn verdediging werd geschaad.
Daarnaast klaagde verdachte over het gebruik van zijn eerdere bekennende verklaring voor het bewijs. De Hoge Raad bevestigde dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid mocht besluiten deze verklaring te gebruiken en hieraan meer waarde te hechten dan aan latere ontkennende verklaringen. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het hof ten onrechte de vervallen wettelijke regeling inzake onbetaalde arbeid toepaste, aangezien de wet taakstraffen sinds 1 februari 2001 in werking is.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor wat betreft de strafoplegging en bepaalde ambtshalve een taakstraf van 240 uur, vervangbaar door 120 uur hechtenis, conform de geldende wettelijke bepalingen. Voor het overige werd het beroep verworpen. Hiermee werd de straf aangepast aan het huidige recht zonder inhoudelijke wijziging van de bewezenverklaring.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafoplegging en bepaalt een taakstraf van 240 uur, vervangbaar door 120 uur hechtenis.