ECLI:NL:PHR:2003:AF5834

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02731/02 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 UwArt. 44 SrArt. 88 SrArt. 300 SrArt. 307 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitleveringsverzoek en afwijzing verzoek aanhouding zaak voor expertiserapporten

In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Groningen die de uitlevering van een persoon aan de Russische Federatie toelaatbaar had verklaard. De verdediging verzocht om aanhouding van de zaak om drie expertiserapporten te verkrijgen die het causale verband tussen de handelingen van de opgeëiste persoon en de dood van het slachtoffer zouden kunnen aantonen, wat de onschuld zou staven.

De rechtbank wees dit verzoek af omdat zij slechts de toelaatbaarheid van de uitlevering beoordeelt en niet de gegrondheid van de strafvervolging in het buitenland. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat een onschuld alleen kan worden aangenomen indien zonder diepgaand onderzoek direct duidelijk is dat er geen vermoeden van schuld is, wat hier niet het geval was.

Daarnaast overwoog de Hoge Raad dat het opvragen en beoordelen van de expertiserapporten een diepgaand onderzoek inhoudt dat niet past binnen de uitleveringsprocedure. Ook het argument dat de rapporten van belang zouden zijn voor de beoordeling van dubbele strafbaarheid faalde, omdat deze rapporten betrekking hebben op bewijs van feiten en niet op de strafbaarheid zelf.

Het cassatieberoep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Hoge Raad vond geen gronden om ambtshalve de uitspraak te vernietigen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding voor het verkrijgen van expertiserapporten wordt afgewezen.

Conclusie

Nr. 02731/02 U
Mr. Vellinga
Zitting: 11 maart 2003
Conclusie inzake:
[verdachte = de opgeëiste persoon]
1. De Rechtbank te Groningen heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Russische Federatie ter vervolging toelaatbaar verklaard.
2. Namens verdachte heeft mr. F.J.B. de Jong, advocaat te Assen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank art. 26, derde lid, Uw heeft geschonden door het verzoek om aanhouding van de zaak teneinde drie expertiserapporten te verkrijgen af te wijzen. Deze drie expertiserapporten hebben betrekking op het causale verband tussen de aan de opgeëiste persoon verweten handelingen en de dood van het slachtoffer en zouden de onschuld van de opgeëiste persoon eenvoudig kunnen staven, aldus de toelichting op het middel.
4. De uitspraak van de Rechtbank houdt - voor zover van belang - in:
"Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek, opdat de overgelegde stukken in de Nederlandse taal worden vertaald en het openbaar ministerie bij de Russische autoriteiten nadere informatie omtrent de vervolging van de twee medeverdachten van de opgeëiste persoon alsmede aanvullende inlichtingen in de vorm van drie expertiserapporten met betrekking tot het causaal verband tussen de handelingen van de opgeëiste persoon en de dood van het slachtoffer zal inwinnen.
De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling af, nu de rechtbank slechts dient te beoordelen of de verzochte uitlevering toelaatbaar is en niet de gegrondheid van de strafvervolging die in de verzoekende staat tegen de opgeëiste persoon aanhangig is dient te beoordelen."
5. Een onschuldbewering gaat alleen op indien de Rechtbank onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld.(1) Dit houdt in dat de opgeëiste persoon moet aantonen dat de door de verzoekende Staat geformuleerde verdenking op een misslag berust. Een dergelijke bewering dient hij aanstonds te kunnen staven met bewijsmateriaal.(2) Daarbij moet met name worden gedacht worden aan het verweer dat de opgeëiste persoon de feiten niet kan hebben begaan, aangezien hij bijvoorbeeld een alibi heeft.(3)
6. Het verzoek tot aanhouding om de onschuld van de opgeëiste persoon aan te tonen heeft betrekking op het opvragen van expertiserapporten over het causale verband tussen de handelingen van de opgeëiste persoon en de dood van het slachtoffer. In het verzoek om uitlevering wordt gesteld dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon wordt gestaafd door onder meer "Conclusion of forensics, according to which transportation in an enclosed space with the lack of oxygen promoted [slachtoffer]'s death." Reeds deze omstandigheid brengt mee, dat aan de hand van eventuele andersluidende rapporten niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon kan worden aangetoond. Bovendien pleegt met het opvragen, versturen en vertalen van dergelijke rapporten nogal wat tijd gemoeid te zijn.
7. De Rechtbank heeft overwogen dat zij slechts dient te beoordelen of de verzochte uitlevering toelaatbaar is en niet de gegrondheid van de strafvervolging die in de verzoekende staat tegen de opgeëiste persoon aanhangig is. In die overweging ligt besloten dat het opvragen van dergelijke expertiserapporten en het beoordelen van de consequenties daarvan voor de (on)schuld van de opgeëiste persoon een diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf inhoudt. Zo gelezen geeft de overweging van de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zij niet onbegrijpelijk.
8. Voorzover de toelichting op het middel de subsidiaire klacht bevat dat de expertiserapporten ook van belang zijn voor de vraag of er sprake is van dubbele strafbaarheid, faalt het. Voor de beoordeling van de vraag of feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd naar Nederlands recht strafbaar zijn, is van belang of die feiten een strafbaar feit naar Nederlands recht opleveren. De expertiserapporten waarop de advocaat doelt, zijn van belang voor het bewijs van die feiten.
9. Het middel faalt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 15 december 1998, NJ 1999, 206
2 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg onder 16 voor HR 29 oktober 2002, 01033/02 U (niet gepubliceerd).
3 J.M. Sjöcrona en A.M.M. Orie, Internationaal Strafrecht, derde druk, p. 161. Zie ook HR 28 oktober 1997, NJ 1998, 212.