1 Het in cassatie overgelegde procesdossier vertoont echter een aantal lacunes. Daaraan ontbreken o.a. de (partij)deskundigenrapporten waarnaar in het in eerste aanleg gewezen vonnis van 10 juli 1997 op p. 6 wordt verwezen, en de situatieschets (met letteraanduidingen van verschillende punten daarin) die in een aanzienlijk deel van de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen wordt besproken (en waarop men, naar ik aanneem, kan zien hoe de Hoevenseweg ligt ten opzichte van de andere genoemde wegen en ten opzichte van het (parkeer)terrein waaraan het gehuurde grenst; en ook kan zien waar de gehoorde getuigen al dan niet uitzonderlijke aanvoer of niveaustijging van water (zeggen te) hebben waargenomen). Of de rechtbank wèl over deze stukken kon beschikken kan aan de hand van het (ene) in cassatie overgelegde dossier niet worden beoordeeld.
Het dossier bevat wel een overzichtsfoto van de omgeving van het gehuurde waarop sommige plaatsen met letters zijn aangegeven (die echter niet volledig corresponderen met de letters waarnaar in de getuigenverhoren wordt verwezen). Deze foto is gevoegd bij het proces-verbaal van de in eerste aanleg op 15 maart 1999 gehouden terechtzitting (enquête), en wordt in de bij die zitting opgenomen verklaring van [P.J. Moorees] genoemd. Ter illustratie van de feitelijke situatie heb ik een (niet aan het dossier ontleend) plattegrondje van de plaatselijke situatie aan deze conclusie gehecht.
2 Dit blijkt niet uit het in appel gewezen (en in cassatie bestreden) vonnis, maar uit rov. 3.3 (slotalinea) van het in eerste aanleg als laatste gewezen interlocutoire vonnis (van 3 februari 2000).
3 Ook de feiten die ik hier weergaf zijn niet expliciet in het bestreden (appel)vonnis vastgesteld, maar kunnen wel uit het dossier worden opgemaakt.
4 Over de maatstaf voor aansprakelijkheid van de verhuurder voor schade als gevolg van aan het gehuurde klevende gebreken bestaat verschil van mening, zie bijvoorbeeld Handboek Huurrecht, Huydecoper, aant. 71 - 76 bij art. 1587; Asser-Abas 5 II (2001), nr. 35; Dozy - Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht (etc.), 1999, p. 81-85. Illustratief zijn ook de uitvoerige beschouwingen in de Parlementaire Geschiedenis van wetsontwerp 26 089 (inmiddels de wet van 21 november 2002, Stb. 587 (nog niet in werking getreden); ik noem als illustratie binnen deze illustratie de beschouwingen in de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer, EK 2001 - 2002, 26 089, p. 9 - 10). Maar zoals al aangestipt, in deze cassatiezaak wordt niet over deze maatstaf gestreden.
5 Zoals in voetnoot 4 al opgemerkt, is de vraag of daarmee de juiste maatstaf voor aansprakelijkheid van de verhuurder voor gebreken is aangelegd, in cassatie niet aan de orde. Men versta mij overigens niet verkeerd: ik breng niet - versluierd - tot uitdrukking dat ik de in deze zaak gehanteerde maatstaf onjuist vind. Ik meen er alleen goed aan te doen, te constateren dat die maatstaf thans niet ter discussie staat.
6 HR 31 maart 1978, NJ 1978, 467 m.nt. WHH, en Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, p. 57.
7 Een illustratie vormt HR 23 november 2001, NJ 2002, 387 m.nt. JBMV, rov. 3.5.6, ook gelezen in verband met alinea's 9 en 10 van de conclusie van A-G Hartkamp. Zie voor een illustratie van deze materie in een andere context (namelijk die van beoordeling van de uitkomsten van een getuigenverhoor) HR 12 februari 1999, NJ 2000, 17 m.nt. WMK, rov. 3.3.2.
8 Dit geval onderscheidt zich daardoor van het geval dat beoordeeld werd in HR 1 november 2002, RvdW 2002, 177, rov. 3.5. 9 HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, rov. 3.5; zie ook de interessante beschouwing in alinea 2.5 van de conclusie van (destijds) A-G Bakels voor HR 21 december 2001, NJ 2002, 60.
10 Een recent "alledaags" voorbeeld vormt HR 15 november 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE8465, zie alinea's 5 en 6 van de conclusie van A-G Strikwerda.
11 Zie bijvoorbeeld HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2 (slot); HR 16 juni 2000, NJ 2000, 584 m.nt. CJHB, rov. 3.3.
12 Hier manifesteert zich het gegeven: "bewijsrisico". Als te bewijzen feiten niet aannemelijk worden is dat voor risico van de partij die de bewijslast draagt; en dat kan heel goed ook dan het geval zijn, als feiten die de wederpartij ter ondersteuning van haar standpunt naar voren heeft gebracht, óók niet als aannemelijk zijn beoordeeld. Wanneer verschillende lezingen van bepaalde gebeurtenissen geen van alle aannemelijk worden gemaakt, betekent dat dat geen van die lezingen als bewezen kan worden aangemerkt; en dat betekent weer dat de partij die de bewijslast droeg, aan het kortste eind trekt.