1 Ik spreek gemakshalve telkens van "koop" of daarmee overeenstemmende woorden, maar het ging natuurlijk steeds om een verbintenisrechtelijke titel met daarop aansluitend een leveringstransactie.
2 Later zal dit perceel (althans: het overblijvende deel ervan) nummer [003] krijgen, en met dat nummer is het ook aangegeven op de aan deze conclusie gehechte situatieschets. Eerder behoorde het perceel tot een kavel die met het kadastrale nummer [005] was aangeduid. Ook die aanduiding komt in de (oudere) stukken uit dit dossier een aantal malen voor.
3 Prod. 1 bij de conclusie van eis in eerste aanleg.
4 Prod. 3 bij de conclusie van eis in eerste aanleg.
5 Prod. 4 bij de conclusie van eis in eerste aanleg.
6 Zo wordt het opgegeven in de titel waarbij [betrokkene 1] het perceel in 1985 had aangekocht, prod. 2 bij de conclusie van eis in eerste aanleg. De kadastrale aanduiding luidde toen (nog): sectie M nr. [005] (zie ook voetnoot 2 hiervóór).
7 In de cassatiedagvaarding wordt het verschil, m.i. correct, berekend op 2,07 are. In de cassatiedagvaarding wordt in aansluiting hierop (in onderdeel 1.4 en onderdeel 1.10) gesteld dat het resterende gedeelte van 2.07 are aan [betrokkene 1] zou zijn verbleven. Mij lijkt die stelling op de voorhand niet aannemelijk, nu het bepaald voor de hand ligt dat de transactie tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] het gehele resterende gedeelte van het perceel met nr. [005], later nr. [001] (en inmiddels nr. [003]) beoogde, en dat de verschillen in aanduiding van de grootte van het perceel zijn toe te schrijven aan meet- of rekenfouten of verschrijvingen, óf aan het feit dat er intussen nog andere stroken van het betreffende perceel waren vervreemd (voor dat laatste zijn bijvoorbeeld aanwijzingen gegeven in de pleitnota namens [verweerder] c.s. in appel, tweede bladzij, vierde alinea). Voor de beoordeling in cassatie lijkt het mij intussen niet nodig om dit aspect van de zaak nader te onderzoeken. De hier onderzochte stelling kan [eiseres] immers al daarom niet baten, omdat gegrondbevinding daarvan zou meebrengen dat het betreffende stuk(je) grond ook buiten de transacties [betrokkene 1]/[betrokkene 3] en [betrokkene 3]/[eiseres] was gebleven (en dus nog altijd aan [betrokkene 1] toebehoorde). Nog afgezien daarvan dat deze uitkomst vergaand onaannemelijk is, valt die ook buiten het kader van de stellingen die partijen in deze zaak hebben verdedigd.
8 Blijkens de al eerder genoemde prod. 4 bij de conclusie van eis in eerste aanleg. Ook het hof baseert zich overigens op dit stuk, met dien verstande dat dat in rov. 2.5 abusievelijk als prod. 3 wordt vermeld.
9 In de reeds genoemde prod. 3 bij de conclusie van eis in eerste aanleg.
10 Alles: rov. 2.7 van het bestreden arrest.
11 In het algemeen wordt in cassatie aangenomen dat van elkaar onafhankelijke gronden die een bepaalde uitkomst (kunnen) dragen, ook los van elkaar mogen worden beoordeeld, en dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat de rechter bij het overwegen van een tweede dragende grond voor zijn oordeel, mede beïnvloed kan zijn door de denkfout die misschien een eerdere dragende grond voor dat oordeel "onderuit haalt".
12 Parlementaire Geschiedenis Nieuw BW, Invoering boeken 3, 5 en 6, boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, 1990, p. 1057, p. 1063 - 1064 en p. 1095; Asser-Mijnssen-De Haan, 2001, nr. 381.
13 Zie bijvoorbeeld de beschouwingen in de Parlementaire Geschiedenis Nieuw BW, Kadasterwet, 1981, p. 141 - 142.
14 Zie bijvoorbeeld Asser-Mijnssen-De Haan, 2001, nr. 130. In de rechtspraak betreffende de derdenbescherming bij de verwerving van roerende zaken vormen, zoals bekend, de omstandigheden die de verkrijger aanleiding tot twijfel behoren te geven het onderwerp van een uitgebreide casuïstiek. Daarin wordt de norm voor het aannemen van goede trouw bepaald niet soepel gehanteerd.