ECLI:NL:PHR:2003:AF5889
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eigendom en erfdienstbaarheid van grondstrook bij kadastrale discrepanties
In deze zaak staat de eigendom van een strook grond centraal die zich bevindt tussen percelen die in eerdere transacties zijn gesplitst. Verweerders stellen dat zij eigenaar zijn van deze strook, terwijl eiseres betoogt dat deze strook deel uitmaakt van haar perceel, gebaseerd op kadastrale metingen en kaarten.
De rechtbank en het hof hebben de grond opnieuw kadastraal uitgemeten en concludeerden dat de strook toebehoort aan verweerders. Eiseres betwist dit en voert aan dat het hof een denkfout heeft gemaakt door niet alle percelen en oppervlaktematen correct in aanmerking te nemen. De Hoge Raad stelt vast dat het hof inderdaad een denkfout maakte met betrekking tot de oppervlakteverschillen, maar dat deze fout niet leidt tot vernietiging van het arrest.
Daarnaast onderzoekt de Hoge Raad het beroep van eiseres op goede trouw en de toepassing van art. 3:24 BW Pro inzake registers. De Raad oordeelt dat kadastrale kaarten niet tot de registers behoren waarop dit artikel ziet, en dat eiseres geen beroep kan doen op onjuistheden in deze kaarten. Ook het beroep op art. 3:26 BW Pro wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
De Hoge Raad benadrukt dat de vestiging van de erfdienstbaarheid van weg onbegrijpelijk zou zijn als verweerders niet eigenaar zouden zijn van de grondstrook, wat het standpunt van verweerders ondersteunt. Dit leidt tot de conclusie dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.