ECLI:NL:PHR:2003:AF6204
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslastverdeling bij eigendom van in beslag genomen sieraden en gelden in faillissement
In deze zaak gaat het om de eigendom van sieraden en geldbedragen die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en het faillissement van [betrokkene 1] in beslag zijn genomen. Eisers stellen eigenaar te zijn van deze goederen en vorderen afgifte daarvan van de curator. De curator stelt dat de goederen toebehoren aan de failliet en dus in de faillissementsboedel vallen.
De rechtbank heeft de eisers toegelaten tot bewijslevering omtrent hun eigendom, maar heeft de bewijslast bij hen gelegd, omdat het wettelijke vermoeden van eigendom ex art. 3:119 BW Pro door verklaringen van de failliet en zijn zoon was weerlegd. Het hof heeft dit oordeel bevestigd, maar heeft niet ex nunc, dat wil zeggen op het moment van zijn beslissing, de latere getuigenverklaringen betrokken in zijn beoordeling.
De Hoge Raad stelt dat het hof had moeten beoordelen of de latere getuigenverklaringen het eerdere feitelijke vermoeden dat aan het wettelijke vermoeden van art. 3:119 BW Pro ten grondslag lag, hebben aangetast. Omdat het hof dit niet heeft gedaan, is het arrest onvoldoende gemotiveerd en kan het niet in stand blijven. De zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de bewijslastverdeling en het eigendom van de goederen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het argument over de afsluitcode van een koffertje niet relevant is voor de bewijslastverdeling. De curator is verstek gebleven in cassatie, waardoor het oordeel van de Hoge Raad uitsluitend op het cassatiemiddel van eisers is gebaseerd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de bewijslastverdeling en het eigendom van de goederen.