ECLI:NL:PHR:2003:AF6211
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toestemmingsvereiste echtgenoot bij bankborgtocht voorafgaand aan huwelijk
In deze zaak staat centraal of het toestemmingsvereiste van art. 159 (oud) BWNA ook van toepassing is op een bankborgtocht die vóór het huwelijk is verleend, maar waarop na het huwelijk krediet wordt verstrekt. De eiser had zich in 1987 als borg gesteld voor alle huidige en toekomstige schulden van Sirikit, terwijl hij toen ongehuwd was. Na zijn huwelijk in 1987 verleende de bank een nieuwe kredietfaciliteit waarop de borgtocht van toepassing was.
De echtgenote van eiser stelde dat zij geen toestemming had gegeven voor de borgtocht die na het huwelijk werd ingeroepen, en beriep zich op nietigheid. De lagere rechters verwierpen dit beroep omdat de borgtocht vóór het huwelijk was aangegaan. De Hoge Raad bevestigt dat borgtochten die vóór het huwelijk zijn aangegaan, niet ongeldig worden door het ontbreken van toestemming van de echtgenoot na het huwelijk.
De Hoge Raad benadrukt dat het toestemmingsvereiste is bedoeld ter bescherming van de echtgenoot en dat het belang van de schuldeiser bij zekerheid moet worden meegewogen. Indien de borgtocht geldig is aangegaan vóór het huwelijk, blijft deze geldig ook voor toekomstige kredieten na het huwelijk. De bank hoeft niet te controleren of de borg inmiddels gehuwd is en toestemming heeft. De Hoge Raad verwerpt ook het beroep op strijd met de goede trouw en een motiveringsklacht en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de borgtocht blijft geldig ook voor kredieten na het huwelijk zonder toestemming van de echtgenoot.