ECLI:NL:PHR:2003:AF6221
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering tot indebetstelling griffierecht zonder tijdige toevoegingsaanvraag
In deze zaak betrof het een verzet tegen een dwangbevel voor het griffierecht dat door de Griffier van de Hoge Raad was vastgesteld. Mr. Groen had namens een cliënt een cassatieverzoek ingediend zonder op het moment van indiening een bewijs van toevoeging of een afschrift van een toevoegingsverzoek te overleggen. Hoewel later een definitieve toevoeging werd verleend, was dit niet tijdig kenbaar gemaakt bij de Griffier.
De kern van het geschil was of de Griffier het griffierecht alsnog gedeeltelijk in debet had moeten stellen op grond van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ), met name artikel 18 WTBZ Pro. Mr. Groen voerde aan dat uit het verzoekschrift bleek dat de cliënt geen inkomen had, zodat de Hoge Raad van deze regeling gebruik had kunnen maken. De Griffier handhaafde echter het oorspronkelijke griffierecht omdat niet tijdig was voldaan aan de formele vereisten.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet strikte eisen stelt aan de tijdige overlegging van bewijsstukken voor indebetstelling. Omdat niet was voldaan aan artikel 25 van Pro de Wet op de rechtsbijstand op het moment dat het vast recht verschuldigd werd, kon geen beroep worden gedaan op artikel 18 WTBZ Pro. Ook was er geen sprake van omstandigheden die de niet-tijdige overlegging rechtvaardigden volgens artikel 18a WTBZ. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel voor griffierecht wordt ongegrond verklaard vanwege niet-tijdige overlegging van het bewijs van toevoeging.