ECLI:NL:PHR:2003:AF6244

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01238/02 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet op de economische delictenArt. 8.40 Wet milieubeheerArt. 96 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt stillegging onderneming bij medeplegen economische delicten ondanks ontbreken eigendom

In deze zaak ging het om het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van verschillende economische delicten en dierenwelzijnsdelicten. Het hof legde onder meer de bijkomende straf van stillegging van de onderneming op voor de duur van een jaar.

Verdachte voerde in cassatie aan dat de stillegging ten onrechte was opgelegd omdat hij niet de eigenaar van de onderneming was. Het hof had vastgesteld dat verdachte samen met zijn broer een boerenbedrijf uitoefende dat eigendom was van hun hoogbejaarde vader, die geen activiteiten meer verrichtte.

De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever met de bepaling in art. 7 onder Pro c WED heeft beoogd dat de stillegging kan worden opgelegd aan degene die het bedrijf uitoefent, ongeacht eigendom. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en de Memorie van Antwoord. Een eis van eigendom zou de toepassing van de straf illusoir maken.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de rechtmatigheid van de stillegging van de onderneming als bijkomende straf aan verdachte, ondanks het ontbreken van eigendom. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat stillegging van de onderneming terecht kan worden opgelegd aan de medepleger die het bedrijf uitoefent, ook zonder eigendom.

Conclusie

Nr. 01238/02 E
Mr Wortel
Zitting: 18 maart 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 en 2 "het medeplegen van: overtreding van een voorschrift krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan", 3. "Het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen (96x) gepleegd" en 4. "het medeplegen van: het misdrijf als houder van een dier aan dat dier de nodige verzorging onthouden, meermalen gepleegd", veroordeeld tot, ten aanzien van de feiten 1 en 2: de stillegging van de onderneming gedurende 1 jaar voor wat betreft het houden van vee, ten aanzien van feit 3: 96 geldboetes van f 50,= subsidiair 50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede ten aanzien van feit 4 tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met verbeurdverklaring van de opbrengst van het onder verzoeker inbeslaggenomen en vernietigde vee.
2. Namens verzoeker heeft mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, één middel van cassatie voorgesteld.
Deze zaak hangt samen met die tegen de broer van verzoeker, met griffienummer 01239/02 E, waarin ik heden eveneens concludeer.
3. Het middel zal aldus verstaan moeten worden dat de stillegging van de onderneming ten onrechte is bevolen, omdat verzoeker niet de eigenaar van een onderneming is.
4. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat verzoeker en zijn broer gezamenlijk een boerenbedrijf uitoefenen op het terrein gelegen aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats]. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep valt af te leiden dat deze onderneming eigendom is van de vader van verzoeker, maar dat deze wegens hoge leeftijd geen activiteiten in het bedrijf meer verricht.
5. Naar luid van art. 7 onder Pro c WED kan de bijkomende straf van gehele of gedeeltelijke stillegging worden bevolen "van de onderneming van de veroordeelde, waarin het economische delict is begaan". Die bepaling moet niet aldus worden verstaan dat de bijkomende straf alleen aan de eigenaar van de onderneming kan worden opgelegd. Er behoeft slechts te worden vastgesteld dat de veroordeelde het bedrijf uitoefent, ongeacht of de onderneming hem ook in eigendom toebehoort. Dat is te vinden in de Memorie van Antwoord, waaruit blijkt dat de wetgever heeft willen aansluiten bij HR NJ 1947, 365, dat betrekking had op art. 1 Besluit Pro berechting economische delicten, waarin deze bijkomende straf ook was voorzien:
"Stillegging van de onderneming van de veroordeelde houdt niet in dat de veroordeelde ook eigenaar van het bedrijf van de onderneming moet zijn. Artikel 1, van het Besluit berechting economische delicten, Staatsblad E 135, kent de bijkomende straf van sluiting der zaak en stillegging der bedrijfsmiddelen van de veroordeelde. Ons hoogste rechtscollege heeft beslist, dat het niet nodig is, dat de zaak het eigendom van de veroordeelde is, doch dat voldoende is, dat de veroordeelde in de zaak het bedrijf uitoefende, waarin hij zich aan het ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt (H.R. 20 mei 1947, Nederlandse Jurisprudentie 1947, no. 365). De onderhavige redactie bedoelt hetzelfde als de genoemde bepaling van artikel 1 van Pro het Besluit berechting economische delicten. Een andere opvatting, waarbij de onderneming alleen dan zou kunnen worden stilgelegd, indien zij de overtreder in eigendom zou toebehoren, zou de toepassing van de straf van stillegging illusoir kunnen maken, b.v. door eigendomsoverdracht (wellicht in schijn) terstond na het constateren van het strafbare feit."
(Kamerstukken II, 1948-1949, nr 5, p. 13, Stb 1950, K 258)
6. Het aan verzoeker opleggen van de bijkomende straf van (gedeeltelijke) stillegging van de onderneming getuigt derhalve niet van een verkeerde rechtsopvatting, zodat het middel faalt.
7. Het middel leent zich voor afdoening op de voet van art. 81 RO Pro.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,