ECLI:NL:PHR:2003:AF6244
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt stillegging onderneming bij medeplegen economische delicten ondanks ontbreken eigendom
In deze zaak ging het om het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van verschillende economische delicten en dierenwelzijnsdelicten. Het hof legde onder meer de bijkomende straf van stillegging van de onderneming op voor de duur van een jaar.
Verdachte voerde in cassatie aan dat de stillegging ten onrechte was opgelegd omdat hij niet de eigenaar van de onderneming was. Het hof had vastgesteld dat verdachte samen met zijn broer een boerenbedrijf uitoefende dat eigendom was van hun hoogbejaarde vader, die geen activiteiten meer verrichtte.
De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever met de bepaling in art. 7 onder Pro c WED heeft beoogd dat de stillegging kan worden opgelegd aan degene die het bedrijf uitoefent, ongeacht eigendom. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en de Memorie van Antwoord. Een eis van eigendom zou de toepassing van de straf illusoir maken.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de rechtmatigheid van de stillegging van de onderneming als bijkomende straf aan verdachte, ondanks het ontbreken van eigendom. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat stillegging van de onderneming terecht kan worden opgelegd aan de medepleger die het bedrijf uitoefent, ook zonder eigendom.