ECLI:NL:PHR:2003:AF6545

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01403/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest zware mishandeling wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring zwaar lichamelijk letsel

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor zware mishandeling van het slachtoffer op 24 oktober 1997, waarbij hij opzettelijk een trap of schop tegen het gezicht van het slachtoffer heeft gegeven, resulterend in een zygomafractuur en orbitabodemplaatfractuur. Het hof legde een gevangenisstraf op van acht weken, waarvan vier voorwaardelijk, en kende een schadevergoeding toe.

De verdediging voerde aan dat het letsel ook het gevolg had kunnen zijn van een val van de fiets, hetgeen volgens de Hoge Raad niet door het bewijsmateriaal werd ondersteund. Het hof baseerde zich onder meer op verklaringen van het slachtoffer, een getuige en medische rapporten van specialisten uit het Slotervaartziekenhuis.

De Hoge Raad constateert echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, aangezien de bewijsmiddelen geen informatie bevatten over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen of het uitzicht op herstel. Hierdoor is de bewezenverklaring niet begrijpelijk gemotiveerd, wat leidt tot vernietiging van het arrest.

Andere vernietigingsgronden zijn niet gevonden. De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring zwaar lichamelijk letsel en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof.

Conclusie

Nr. 01403/02
Mr. Machielse
Zitting 25 maart 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 13 december 2001 wegens "zware mishandeling" veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van fl 2.000,- en is de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte hebben mr. S.T. van Berge Henegouwen en mr. J.W. Heemskerk, advocaten te Maastricht, een schriftuur ingediend houdende twee middelen van cassatie.
3. Het eerste middel berust op de stelling dat het hof de juistheid van een gevoerd verweer in het midden heeft gelaten zodat de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is opengebleven dat het letsel van [slachtoffer] het gevolg is geweest van de val van de fiets.
4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij:
"hij op 24 oktober 1997 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een zygomafractuur en een orbitabodemplaatfractuur heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met die opzet met kracht een trap en/of een schop tegen het gezicht te geven."
5. Betoogd wordt dat het verweer dat het letsel ook het gevolg kan zijn geweest van de val van de fiets niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt weerlegd. Ik bestrijd die opvatting. Ik wijs op bewijsmiddel 1 waarin het slachtoffer verklaart dat hij door verdachte in het gezicht is geschopt. In bewijsmiddel 3 verklaart een getuige dat hij uit de manier waarop de verdachte naar het slachtoffer liep niet anders kon opmaken dan dat verdachte het slachtoffer bewust wilde verwonden/uitschakelen en dat hij zag dat verdachte het slachtoffer schopte en dat hij daarbij een knappend geluid hoorde alsof er iets brak. Bovendien wijs ik op de voor het bewijs gebezigde brief van kaakchirurg [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4.1) waarvan de inhoud hieronder onder punt 10. is weergeven.
6. Het eerste middel faalt dus.
7. Het tweede middel klaagt er over dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat verdachte twee keer eerder voor het plegen van geweldsdelicten is veroordeeld.
8. In aanmerking genomen dat het hof bij de strafmotivering heeft verwezen naar het hier van toepassing zijnde Justitieel Documentatieregister van 8 oktober 2001 waaruit volgt dat het hof aldus kennis heeft genomen van de inhoud van dit register en voorts dat dit register voor wat betreft de geweldsdelicten inhoudt dat verdachte op 14 mei 1986 door de politierechter in de rechtbank te Amsterdam terzake mishandeling is veroordeeld en dat verdachte op 2 juli 1996 terzake mishandeling met het Openbaar Ministerie tot een transactie van fl 600,- is gekomen, meen ik dat het hof per kennelijke vergissing in het bestreden arrest heeft overwogen dat verdachte twee keer eerder voor het plegen van geweldsdelicten is veroordeeld. Voor de strafoplegging zal dit geen gevolgen hebben gehad nu er sprake is van een kennelijke verschrijving; het hof is uitgegaan van veroordeling plus transactie, maar heeft in de strafoverweging per abuis twee veroordelingen genoemd. Aldus verstaan komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen.
9. Het tweede middel faalt dus ook.
10. Ambtshalve merk ik op dat het bewezenverklaarde 'zwaar lichamelijk letsel' mijns inziens niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] houden de na te noemen door het hof gebezigde bewijsmiddelen het volgende in:
"4.1 Een geschrift, zijnde een kopie van een brief van [betrokkene 1], kaakchirurg en verbonden aan het Slotervaartziekenhuis te Amsterdam aan [slachtoffer], gedateerd 31 oktober 1997, inhoudende voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
"Hierbij verklaar ik dat ik u op 24 oktober 1997 op de Eerste Hulp-afdeling van het Slotervaartziekenhuis heb gezien. Als diagnose was gesteld een zygomafractuur rechts met een forse dislocatie. Gezien de mate van dislocatie moet worden geconcludeerd dat er extreem hard tegen uw hoofd is geschopt."
4.2 Een geschrift, zijnde een kopie van een brief van [betrokkene 2], neuroloog, verbonden aan het Slotervaartziekenhuis te Amsterdam aan [betrokkene 3], huisarts, gedateerd 6 juli 1998, inhoudende voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
"[slachtoffer] bezocht op 2 juli 1998 het neurologisch spreekuur van het Slotervaartziekenhuis. Ondanks adequate behandeling door de kaakchirurg hield patient klachten van zijn rechterwang en bovenlip.
Anamnese: Op 24 oktober 1997 is patiënt op straat mishandeld. Hij liep hierbij een zygomafractuur en orbitabodemplaatfractuur rechts op."
Conclusie: letsel nervus infra-orbitalis rechts ten gevolge van orbitabodemfractuur."
11. Lichamelijk letsel is, naast de in art. 82 Sr Pro beschreven gevallen, als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. In aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] niets inhouden omtrent de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel is 's hofs oordeel dat het door die persoon opgelopen letsel, zoals dat is bewezenverklaard, zwaar lichamelijk letsel oplevert, niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring is dus niet naar behoren met redenen omkleed.(1) Dit brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
12. Andere gronden waarop het bestreden arrest zou moeten worden vernietigd heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 4 februari 2003, nr. 02526/01