ECLI:NL:PHR:2003:AF6589
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert straf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging diefstal
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, waarvan een maand voorwaardelijk, wegens poging tot diefstal met braak. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in. De Hoge Raad onderzocht of de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden.
Uit het dossier blijkt dat verdachte na het arrest van 9 december 1996 tot 20 maart 2000 niet was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en geen bekende verblijfplaats had. Het openbaar ministerie heeft binnen vier maanden na het arrest een verzoek gedaan om verdachte in het opsporingsregister op te nemen. Gedurende een deel van deze periode was verdachte echter gedetineerd, maar het openbaar ministerie heeft dit niet onderzocht.
De Hoge Raad oordeelt dat een periode van ruim twee jaar vertraging aan verdachte kan worden toegerekend, maar bijna drie jaar vertraging aan het openbaar ministerie. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn. De overschrijding leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, maar tot strafvermindering. Ook is de termijn tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad te lang, maar dit kan worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling.
De Hoge Raad concludeert tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de opgelegde straf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.