ECLI:NL:PHR:2003:AF6597
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks verjaring en afwezigheid opgeëiste persoon
De rechtbank Amsterdam verklaarde op 26 november 2002 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar. De opgeëiste persoon, die zich onder meerdere aliassen voerde en zonder vaste verblijfplaats was, deed afstand van zijn recht om ter zitting te verschijnen. Zijn raadsman voerde vijf cassatiemiddelen aan tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel, dat klaagde over de afwezigheid van de opgeëiste persoon tijdens de zitting, faalde omdat de persoon zelf afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid. Ook het middel dat stelde dat de rechtbank ten onrechte geen gelegenheid gaf om onschuld aan te tonen, werd verworpen op dezelfde grond.
Een ander middel betrof de verjaring van vervolgingsrechten volgens Nederlands recht. Hoewel bepaalde feiten mogelijk verjaard waren, stelde de Hoge Raad dat vervolging onder andere strafbepalingen mogelijk bleef, omdat het materiële feit binnen de Nederlandse strafbepalingen valt. Ook werd bevestigd dat de rechtbank terecht oordeelde dat de aangehouden persoon identiek was aan degene wiens uitlevering werd gevraagd, mede op basis van vingerafdrukken.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en verwierp de middelen. De uitlevering werd daarmee bevestigd als toelaatbaar, ondanks de aangevoerde bezwaren over procedurele en materiële gronden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten.