ECLI:NL:PHR:2003:AF6602

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00517/01 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 103 SvArt. 126b SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid handhaving Zwitserse beslagen ondanks bankgarantie

In deze zaak betrof het een beklag tegen het handhaven van conservatoire beslagen, waaronder Zwitserse beslagen en een beslag op het woonhuis van klager. Klager stelde dat door het verstrekken van een tweede bankgarantie de beslagen, inclusief de Zwitserse, opgeheven moesten worden. De rechtbank Roermond verklaarde het beklag niet-ontvankelijk voor het woonhuisbeslag en ongegrond voor de Zwitserse beslagen.

De Hoge Raad oordeelde dat de bankgarantie uitsluitend betrekking had op het woonhuisbeslag en dat het Openbaar Ministerie ten tijde van de afspraken geen kennis had van de Zwitserse beslagen. De rechtbank had de feiten en de afspraken omtrent de bankgaranties juist beoordeeld en geen onjuiste rechtsopvatting gehanteerd.

Het cassatiemiddel dat de rechtbank niet had gereageerd op een verweer over de procesorde faalde omdat dit verweer niet was ingebracht. Ook het middel dat er sprake zou zijn van twee verschillende processen-verbaal werd verworpen omdat alleen het ondertekende proces-verbaal als zodanig geldt.

De Hoge Raad concludeerde dat het beroep in cassatie ongegrond is en verwierp het, waarmee de beslissing van de rechtbank in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en het handhaven van de Zwitserse beslagen werd bevestigd.

Conclusie

Nr. 517/01/B
Mr. Fokkens
Parket, 25 maart 2003
Conclusie inzake
[verdachte=klager]
1. Bij beschikking van 7 november 2000 heeft de Rechtbank te Roermond het beklag - strekkende tot het opheffen van gelegde conservatoire beslagen - niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op het beslag op het woonhuis van klager, en ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op Zwitserse beslagen.
2. Namens verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, twee als 'grief' aangeduide middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat zich bij de stukken twee verschillende processen-verbaal van de raadkamerbehandeling bevinden.
4. Het middel mist feitelijke grondslag nu alleen een door de griffier en rechter, althans een van beiden, als zodanig ondertekend stuk als proces-verbaal kan worden aangemerkt (art. 25 lid 3 Sv Pro). Het grotendeels handgeschreven stuk dat in het middel als proces-verbaal wordt aangemerkt, betreft kennelijk aantekeningen die vermoedelijk door de griffier bij de behandeling van het bezwaarschrift zijn gemaakt. Het vastgestelde proces-verbaal van de behandeling is de kenbron van hetgeen daar is voorgevallen zodat in cassatie van misverstanden over hetgeen bij de behandeling van het klaagschrift door de raadkamer is voorgevallen en aangevoerd geen sprake kan zijn.
5. Het tweede middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op Zwitserse beslagen.
6. Voor zover het middel de klacht behelst dat de Rechtbank heeft nagelaten te responderen op het verweer dat de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met beginselen van behoorlijke procesorde, mist het feitelijke grondslag nu uit het proces-verbaal van de behandeling van het bezwaarschrift niet blijkt dat een dergelijk verweer is gevoerd.
7. Tijdens de behandeling van het bezwaarschrift heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie onrechtmatig handelt door de Zwitserse beslagen niet op te heffen nadat klager een bankgarantie had verstrekt en hij met de officier van justitie overeen was gekomen dat alle nog liggende beslagen zouden worden opgeheven.
8. De Rechtbank heeft naar aanleiding hiervan onder meer het volgende overwogen:
Bij het rechtshulpverzoek van 7 december 1999 (aan Zwitserland, JWF) is gebruik gemaakt van de machtiging van de rechter-commissaris van 24 september 1999, welke machtiging nog niet volledig was benut. Op dat moment was er immers slechts tot een bedrag van ƒ 109.000,- beslag gelegd.
Ten tijde van het doen uitgaan van het rechtshulpverzoek wist het Openbaar Ministerie niet met zekerheid of er een Zwitserse bankrekening was en zo ja of er enig saldo op stond.
Gelet op de brief van 11 mei 2000 van de Staatsanwaltschaft Basel zijn de Zwitserse autoriteiten op dit moment niet bevoegd om aan de Nederlandse autoriteiten informatie te verschaffen met betrekking tot het Zwitserse beslag.
Hoewel uit het gegeven dat klager in Zwitserland een bezwaarprocedure heeft geëntameerd afgeleid kan worden dat er daadwerkelijk op een of meer rekeningen beslag is gelegd door de Zwitserse autoriteiten krijgt het Openbaar Ministerie pas informatie dienaangaande van de Zwitserse autoriteiten indien de nationaalrechtelijke bezwaarprocedure geheel is afgewikkeld. Mocht die procedure voor het Openbaar Ministerie in positieve zin eindigen dan valt het beslag naar het oordeel van de rechtbank in het inmiddels geopende SFO.
De stelling van klager dat door de afgifte van de tweede bankgarantie (ƒ 391.000,-) niet alleen het beslag op het woonhuis van klager is komen te vervallen maar ook de Zwitserse beslagen en dat de officier van justitie onrechtmatig handelt door desondanks de Zwitserse beslagen te handhaven vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de feiten.
Uit bovenstaan blijkt immers dat - in tegenstelling tot klager - de officier van justitie ten tijde van de contacten over de tweede bankgarantie geen weet had van eventuele Zwitserse beslagen. Daar het beslag op het woonhuis van klager het enige concrete conservatoire beslag was dat er lag, kunnen de afspraken met betrekking tot de tweede bankgarantie slechts betrekking hebben op het woonhuis.
9. Bij de stukken bevindt zich de overeenkomst tussen de raadsman en de officier van justitie inzake de bankgaranties en het opheffen van de conservatoire beslagen. Het betreft een brief van de raadsman waarin hij bevestiging vraagt van hetgeen hij op 9 mei 2000 telefonisch met de officier van justitie heeft besproken. De op 29 mei 2000 door de officier van justitie voor accoord getekende overeenkomst luidt als volgt:
In dat telefoongesprek, dat gevoerd werd naar aanleiding van mijn brief van 18 april 2000, mijn klaagschrift ex 552a Sv d.d. 28 april 2000 en uw brief d.d. 27 april 2000 (bij mij ingekomen op 1 mei 2000) spraken wij het volgende af:
- indien er, naast de reeds in bezit van justitie zijnde bankgarantie ad ƒ 109.000,-, een tweede bankgarantie verstrekt wordt tot een bedrag van ƒ 391.000,- worden door het Openbaar Ministerie alle thans nog liggende conservatoire beslagen opgeheven;
- de te verstrekken bankgarantie zal niet de voorwaarde bevatten dat nimmermeer beslag in welke vorm en uit welken hoofde dan ook gelegd zou kunnen worden;
- als er in de toekomst opnieuw beslag zou worden gelegd, dan geschiedt dat met inachtneming van de verstrekte bankgaranties, met andere woorden: een eventueel nieuw beslag kan niet gelegd worden op dezelfde titel als waarvoor de tot heden gelegde conservatoire beslagen tot een bedrag van ƒ 500.000,- zijn gelegd en voor welke conservatoire beslagen een eerste bankgarantie ad ƒ 109.000,- en een tweede bankgarantie ad ƒ 391.000,- is verstrekt.
10. Het oordeel van de Rechtbank dat de overeenkomst op 29 mei 2000 is gesloten en alleen betrekking heeft op het woonhuis is mede in het licht van deze stukken niet onbegrijpelijk en kan vanwege zijn verwevenheid met feitelijke waarderingen voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden beoordeeld.
11. Uitgaande van die vaststelling getuigt het oordeel van de Rechtbank dat de officier van justitie niet onrechtmatig heeft gehandeld door eventuele in het SFO vallende Zwitserse niet op te heffen beslagen te handhaven, niet van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht dat die beslagen al eerder waren gelegd mist feitelijke grondslag, nu dat niet is vastgesteld door de Rechtbank.
12. Het middel faalt.
13. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.