16. Het Hof heeft een ten aanzien van het optreden van bedoelde verbalisant gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie op een drietal gronden primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn strafvervolging.
Hij heeft daartoe -kort samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:
(...)
lb
Van een passieve houding van met name de Franse opsporingsambtenaar [betrokkene 1] is geen sprake geweest. Cliënt is tot iets gebracht waarop zijn opzet niet was gericht. Op geen enkele wijze kan worden gecontroleerd of [betrokkene 1] zich bij zijn activiteiten op Nederlands grondgebied heeft gehouden aan de instructies.
Daarmee blijft de mogelijkheid open dat in deze gehandeld is in strijd met het Tallon-criterium
(...)
(...)
Ad lb.
Het hof overweegt dat het optreden van de buitenlandse politieambtenaren blijkens de door de advocaat-generaal in het geding gebrachte stukken is gebaseerd op afspraken in het zogenaamde Hazeldonkoverleg, zijnde een samenwerkingsverband tussen de Nederlandse, Belgische en Franse opsporingsambtenaren. Blijkens brieven van de hoofdofficier van justitie te Breda d.d. 19 juni 2000 en 31 augustus 2000 zijn in voornoemd overleg voor die samenwerking een aantal randvoorwaarden afgesproken, te weten:
- De buitenlandse opsporingsambtenaren stellen zich passief op en reageren niet dan nadat zij aangesproken worden door verdachten;
- De buitenlandse opsporingsambtenaren hebben uiteraard geen opsporingsbevoegdheden;
- De buitenlandse opsporingsambtenaren mogen wel als getuigen optreden in de strafzaken die uit deze acties voortvloeien.
De Nederlandse Centrale Toetsingscommissie heeft -zo blijkt voorts uit die stukken- in een advies van 16 april 1998 aangegeven dat deze werkwijze zou kunnen plaatsvinden mits aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
- De Franse opsporingsambtenaren dienen voorafgaande aan de acties zich bereid te verklaren desgevraagd tegenover de Nederlandse rechter als getuige op te treden;
- Zowel voor de (grensoverschrijdende) observaties als de pseudo-koopacties dient vooraf toestemming te zijn verleend door de Nederlandse (landelijk) officier van justitie;
- De in Nederland gekochte drugs dienen te worden overgenomen en in beslag genomen door de Nederlandse politie;
- Bij de gesprekken tussen de Franse politiële infiltranten en pseudo-koop van drugs dient te worden gehandeld met inachtneming van het Talloncriterium;
- Alle voor het Nederlands onderzoek relevante informatie wordt door de Franse autoriteiten aan de Nederlandse ter beschikking gesteld.
De Bredase hoofdofficier heeft in zijn eerstgenoemde brief vermeld dat voor elke actie waarvoor deelname van Franse opsporingsambtenaren wordt gevraagd door de hoofdofficier van justitie te Breda een rechtshulpverzoek wordt gedaan aan Frankrijk. Tot medio 1999 werden deze verzoeken mondeling gedaan. Voorts schrijft de hoofdofficier dat met de onderhavige acties nooit wordt beoogd daadwerkelijk tot aankoop over te gaan. In zijn tweede brief meldt de hoofdofficier dat in het onderhavige geval in het geheel geen sprake is geweest van werkwijzen zoals genoemd onder de hierboven onder het tweede, derde en vierde gedachtestreepje vermelde voorwaarden van de CTC.
Uit de inhoud van het dossier blijkt, dat de rol van de Franse politieambtenaar in het door de verdachte en zijn medeverdachten ge-entameerde onderhoud een passieve was, die zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het geven van antwoorden. Aldus heeft deze buitenlandse opsporingsambtenaar naar 's-hofs oordeel geen opsporingsactiviteiten in Nederland verricht en is zijn werkzaamheid geheel binnen de afspraken van het opgemelde Hazeldonkoverleg gebleven. Ook overigens is niet aannemelijk geworden, dat in strijd met in Nederland te dezen geldende maatstaven is opgetreden. Het verweer ontbeert bijgevolg in zoverre feitelijke grondslag."