ECLI:NL:PHR:2003:AF7423
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding buitengerechtelijke kosten bij niet vastgestelde letselschade na verkeersongeval
Op 4 januari 1989 raakte de auto van eiser betrokken bij een aanrijding veroorzaakt door een verzekerde van Elvia Schadeverzekeringen, rechtsvoorgangster van London Verzekeringen. Eiser stelde naast zaakschade ook letselschade te hebben geleden, die zich later openbaarde. Ter vaststelling van deze letselschade en het causaal verband maakte eiser buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand en medisch onderzoek.
De kantonrechter oordeelde aanvankelijk dat eiser in beginsel aanspraak had op vergoeding van deze kosten, ook als achteraf geen letsel zou blijken. Het gerechtshof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, stellende dat vergoeding van buitengerechtelijke kosten alleen mogelijk is indien aansprakelijkheid en primaire schade zijn vastgesteld.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro voorschrijft dat vergoeding van buitengerechtelijke kosten slechts aan de orde komt als er een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. De rechtbank heeft terecht geen redelijkheidstoets toegepast omdat de grondslag voor vergoeding ontbrak.
De conclusie van de Procureur-Generaal onderstreepte dat ook volgens eerdere jurisprudentie en literatuur vergoeding van buitengerechtelijke kosten alleen toekomt indien aansprakelijkheid en primaire schade vaststaan. Het beroep van eiser werd verworpen.
Uitkomst: Vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen omdat aansprakelijkheid en primaire letselschade niet zijn vastgesteld.