ECLI:NL:PHR:2003:AF7513
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 1:88 lid 4 BW op borgtocht via houdstermaatschappij
In deze zaak stond centraal of voor het aangaan van een borgtocht door [eiser] toestemming van zijn echtgenote vereist was op grond van art. 1:88 lid 1 sub c BW Pro. [Eiser] had zich borg gesteld voor schulden van dochtervennootschappen via houdstermaatschappijen waarvan hij 100% aandeelhouder en bestuurder was. De bank vorderde betaling van het borgstellingsbedrag nadat de dochtervennootschappen failliet waren verklaard.
De rechtbank wees het verweer van [eiser] af en het hof oordeelde dat de uitzondering van art. 1:88 lid 4 BW Pro van toepassing was, waardoor geen toestemming van de echtgenote nodig was. Het hof stelde dat indirect aandeelhouderschap en bestuur via houdstermaatschappijen onder de uitzondering vallen, omdat de borg feitelijk de zeggenschap en het financiële belang heeft.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het cassatieberoep van [eiser]. De Raad benadrukte dat de wetgever met lid 4 van art. 1:88 BW Pro bewust een uitzondering heeft gemaakt voor bestuurders die via houdstermaatschappijen de meerderheid van de aandelen houden, omdat zij in de praktijk als zelfstandige ondernemers worden beschouwd. Dit betekent dat de bescherming van de echtgenoot niet wordt ondermijnd in deze gevallen.
De uitspraak draagt bij aan rechtszekerheid en verduidelijkt dat de uitzondering ook geldt bij complexe vennootschapsstructuren, mits aan de criteria van zeggenschap en financieel belang wordt voldaan. De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde het oordeel van het hof dat geen toestemming van de echtgenote nodig was voor de borgtocht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat voor borgtocht via een houdstermaatschappij geen toestemming van de echtgenoot vereist is indien de borg indirect de meerderheid van de aandelen houdt en bestuurder is.