ECLI:NL:PHR:2003:AF7537
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over tijdigheid en ontvankelijkheid van desaveu-vordering bij onbevoegd verrichte proceshandeling
In deze zaak staat centraal de vraag of eiser zijn desaveu-vordering tijdig en ontvankelijk heeft ingesteld tegen een erkenning die door zijn procureur zonder bijzondere schriftelijke volmacht is gedaan. Eiser had een borgstellingsovereenkomst met verweerder 2 en betaalde een deel van de provisie, maar betwistte later de resterende vordering. De procureur van eiser erkende een vergoedingsovereenkomst zonder daartoe bevoegd te zijn, waarna eiser een desaveu-vordering instelde.
De rechtbank en het hof oordeelden dat eiser te laat was met zijn desaveu, omdat hij al geruime tijd op de hoogte was van de onbevoegd verrichte erkenning en toch de procedure voortzette. De Hoge Raad bevestigt dat hoewel de wet geen expliciete termijn stelt, de desaveu-vordering met bekwame spoed moet worden ingesteld om de goede procesorde te waarborgen. Het niet tijdig instellen leidt tot rechtsverwerking, waardoor de partij geacht wordt zich bij de onbevoegd verrichte proceshandeling te hebben neergelegd.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de achtergrond van de desaveu-regeling, de overgang naar het nieuwe procesrecht per 1 januari 2002, en de noodzaak van terughoudendheid bij het gebruik van desaveu. Ook wordt benadrukt dat de partij die ontdekt dat haar procureur onbevoegd heeft gehandeld, dit zo spoedig mogelijk kenbaar moet maken om verdere proceshandelingen te voorkomen. Het arrest bevestigt dat het belang van tijdige actie zwaarder weegt dan het afwachten van een eindvonnis.
Ten slotte wijst de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser af, bevestigt het oordeel van het hof over de tijdigheid en ontvankelijkheid van de desaveu-vordering en benadrukt het belang van een doelmatige en ordentelijke procesvoering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de desaveu-vordering niet tijdig is ingesteld.