ECLI:NL:PHR:2003:AF7681

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/087HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 9 EVRMArt. 10 GrondwetArt. 17 IVBPArt. 18 IVBP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt duurzame ontwrichting huwelijk ondanks religieuze bezwaren

Partijen zijn in 1964 gehuwd. De man vertrok ruim tien jaar voor het verzoek tot echtscheiding uit de echtelijke woning. In 2000 diende de man een verzoekschrift in tot echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank wees het verzoek toe en sprak de echtscheiding uit. De vrouw ging in hoger beroep, maar het hof bekrachtigde het vonnis.

De vrouw stelde dat het huwelijk niet duurzaam ontwricht was, mede vanwege haar geloofsovertuiging die haar verhinderde mee te werken aan de echtscheiding, haar contact met de man en haar gevoelens voor hem. De man stelde dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en dat herstel niet mogelijk was.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat het huwelijk duurzaam ontwricht was niet berustte op een onjuiste rechtsopvatting. De religieuze bezwaren van de vrouw stonden het uitspreken van de echtscheiding niet in de weg. Het beroep op het recht op privé- en gezinsleven en de vrijheid van godsdienst faalde, omdat deze rechten geen absoluut recht op echtscheiding garanderen en wettelijke beperkingen zijn toegestaan ter bescherming van rechten van anderen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof en de rechtbank dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en de echtscheiding terecht was uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het huwelijk duurzaam ontwricht is en wijst het cassatieberoep van de vrouw af.

Conclusie

Rek.nr. R02/087HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 18 april 2003
conclusie inzake
[de vrouw]
tegen
[de man]
Edelhoogachtbaar College,
1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure, hierna: de vrouw en de man, zijn op 6 augustus 1964 te Amsterdam met elkaar gehuwd. De man is meer dan tien jaar geleden uit de echtelijke woning vertrokken.
2. Op 1 november 2000 heeft de man bij de Rechtbank te Alkmaar een verzoekschrift ingediend, strekkend tot (onder meer) het uitspreken van de echtscheiding, subsidiair de scheiding van tafel en bed tussen partijen op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bij beschikking van 1 februari 2001 heeft de Rechtbank het verzoek van de man toewijsbaar geoordeeld en de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
4. De vrouw is van deze beschikking, voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij beschikking van 15 augustus 2002 heeft het Hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd. Daartoe overwoog het Hof onder meer:
"3.1. De vrouw stelt dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht. Daartoe voert zij aan dat zij op grond van haar geloofsovertuiging geen aktieve medewerking kan verlenen aan de echtscheiding, dat zij nog contact heeft met de man en dat zij nog steeds gevoelens voor hem koestert.
De man heeft ter zitting verklaard dat naar zijn mening het huwelijk duurzaam is ontwricht. Hij is ruim tien jaar geleden vertrokken uit de echtelijke woning. Naar zijn mening bestaat geen uitzicht op herstel van het huwelijk.
3.2. Naar 's Hofs oordeel heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De beschikking van de rechtbank zal in zoverre worden bekrachtigd."
5. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De man heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
6. Het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 3.2 - dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat de beschikking van de Rechtbank daarom zal worden bekrachtigd. Het middel betoogt dat het Hof door aldus te oordelen, terwijl echtscheiding onverenigbaar is met de geloofsovertuiging van de vrouw, inbreuk heeft gemaakt op de door art. 8 van Pro het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), art. 17 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBP) en art. 10 Grondwet Pro gegarandeerde bescherming van het privé- en gezinsleven van de vrouw, alsmede op de door art. 9 EVRM Pro en art. 18 IVBP Pro gegarandeerde vrijheid van godsdienst van de vrouw.
7. Het middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. In het licht van de door het Hof als vaststaand aangenomen omstandigheid dat ten tijde van de bestreden beschikking de man reeds ruim tien jaar geleden de echtelijke woning had verlaten en van de in hoger beroep gebleken omstandigheid dat de man niet bereid is de samenleving met de vrouw te hervatten (zie het proces-verbaal van de op 8 augustus 2002 gehouden terechtzitting van het Hof, blz. 2), getuigt het oordeel van het Hof dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht niet van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip duurzame ontwrichting van het huwelijk. Zie HR 1 februari 1980, NJ 1980, 318. Zie voorts HR 6 december 1996, NJ 1997, 189 en HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541.
8. Evenmin van een onjuiste rechtsopvatting getuigt het (impliciete) oordeel van het Hof dat, nu aangenomen moet worden dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, de geloofsovertuiging van de vrouw niet in de weg staat aan het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen. Vgl. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541.
9. Het beroep dat het middel in dit verband doet op art. 8 EVRM Pro faalt. Het artikel garandeert geen recht op echtscheiding (EHRM 18 december 1986, Serie A vol. 112, NJ 1989, 97 nt. EAA), zo min als het echtscheiding uitsluit (EHRM 18 december 1987, Serie A vol. 128, NJ 1989, 99 nt. EAA). Art. 17 IVBP Pro en art. 10 Grondwet Pro bieden geen verdergaande bescherming dan art. 8 EVRM Pro.
10. Ook het beroep op art. 9 EVRM Pro en art. 18 IVBP Pro faalt. Voor zover een wettelijke mogelijkheid tot ontbinding van het burgerrechtelijk huwelijk door echtscheiding al gezien kan worden als een inbreuk op de vrijheid van godsdienst van de echtgenoot die zich op grond van godsdienstige opvattingen met echtscheiding niet kan verenigen, wordt deze beperking toegestaan door het tweede lid van art. 9 EVRM Pro en het derde lid van art. 18 IVBP Pro. Het gaat immers om een wettelijke beperking die gerechtvaardigd is door de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,