10. Zoals gezegd, is dit arrest kritisch ontvangen. De kritiek betreft het oordeel dat naar oud recht de rente over de in de vorm van concrete gedurende elk jaar geleden of nog te lijden inkomensschade tenminste na afloop van elk jaar opnieuw moet worden aangemaand, zodat niet zou kunnen worden volstaan met een aanmaning "nu voor alsdan", en het oordeel dat sprake is van een beroepsfout ingeval zulks niet is geschied. Zie daarover onder anderen: Vranken in zijn noot onder het arrest; Du Perron, "Aanzegging wettelijke rente bij periodiek geleden schade; I", Bb 1997, p. 203 e.v.; Bouman, "De ivoren raadkamer", VR 1998, p. 4 e.v. De kwestie van de beroepsaansprakelijkheid is in de onderhavige cassatiezaak niet aan de orde.
De kritiek betreft voorts het oordeel dat de schade ook voorzover het gaat om inkomensschade (arbeidsvermogensschade) die reeds is geleden op het tijdstip waarop door de rechter uitspraak wordt gedaan, kan worden begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens met als peildatum de dag van het ongeval of een datum die ligt (ver) voor de datum waarop door de rechter uitspraak wordt gedaan. Bij begroting van de schade op een gekapitaliseerd bedrag ineens, wordt de schadevergoeding herleid tot een contante som op een aanvangsdatum, de peildatum, die toereikend moet zijn om de benadeelde vergoeding van zijn na die datum periodiek optredende schade te waarborgen, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het bedrag voor de benadeelde op de dag van de peildatum beschikbaar komt; bij deze kapitalisatie moet met andere woorden worden berekend over welk bedrag de benadeelde op de peildatum de beschikking moet hebben om zijn toekomstige schade volledig vergoed te krijgen rekening houdend met de renteopbrengst die de benadeelde over dat bedrag geacht wordt te kunnen verkrijgen. Omdat ook rekening moet worden gehouden met de te verwachten geldontwaarding, wordt bij deze berekening uitgegaan van een zogenaamde reële rente, dat wil zeggen het verschil tussen het verwachte rendement enerzijds en het verwachte inflatiepercentage anderzijds. Voor het uitvoeren van deze berekening wordt in de letselschadepraktijk gebruik gemaakt van diverse computerprogramma's waaronder het ook in deze zaak gebruikte Audalet-programma. Zie hierover losbladige Schadevergoeding (Bolt), art. 6:105, aant. 7 en aant. 2-6 (met onder aant. 4 argumenten voor een periodieke uitkering en onder aant. 5 argumenten voor een som ineens); zie ook Bouman/Tilanus van Wassenaer, Mon. Nieuw BW B37, tweede druk, nr. 32 en 33. Naar huidig recht gaat de wettelijke rente over het gekapitaliseerde bedrag aanstonds vanaf de peildatum lopen; naar oud recht is een aanmaning vereist.
Bloembergen had in zijn conclusie betoogd dat vooral bij blijvend letsel onderscheid moet worden gemaakt tussen reeds geleden schade en toekomstige schade. Hij betoogde het alleszins aanvaardbaar te achten, ook voor het oude recht, te oordelen dat toekomstige schade geacht wordt te zijn geleden op het tijdstip van de rechterlijke uitspraak waarin die schade wordt vastgesteld op een bedrag ineens. Wat kan met toekomstige schade, kan - aldus Bloembergen - evenwel niet met inkomensschade die op het tijdstip van de uitspraak al (periodiek) is geleden; de rechter kan een optelsom maken van de schade die van maand tot maand (of van jaar tot jaar) is geleden en vervolgens deze schade in één bedrag toewijzen; hij kan evenwel, aldus nog steeds Bloembergen, niet achteraf wijzigingen aanbrengen in het tijdstip waarop de schade is geleden en waarop de rente is gaan lopen. Bloembergen wijst in dat verband erop dat het overgrote deel van de letselschades wordt afgewikkeld door een regeling van partijen, waarbij het voor de hand ligt dat partijen de schade regelen door een optelsom te maken van de reeds geleden schade en door de schade voor het overige te begroten op een gekapitaliseerd bedrag uitgaande van een peildatum die in de buurt ligt van het tijdstip van totstandkoming van de regeling, zij het dat het partijen uiteraard vrijstaat in onderling overleg een andere regeling te treffen of van een andere peildatum uit te gaan. Bloembergen verwijst in dat verband naar Bouman/Van Wassenaer van Catwijck, Mon. Nieuw BW B39, eerste druk, p. 70 e.v. (zie voor de inmiddels verschenen tweede druk van de hand van Bouman/Tilanus-van Wassenaer, nr. 33 onder d). Hij komt tot de slotsom dat inkomensschade als gevolg van letsel in beginsel wordt geleden op het tijdstip waarop de inkomsten zouden zijn genoten, dat het slachtoffer dit tijdstip niet kan vervroegen door een eenzijdige kapitalisatie en dat voor de op het tijdstip van de rechterlijke uitspraak toekomstige schade beslissend is of de rechter veroordeelt tot betaling van een bedrag ineens dan wel tot betaling van periodieke bedragen. Dit betoog is - zoals gezegd - door Uw Raad niet gevolgd voorzover het gaat om schade die ten tijde van de rechterlijke uitspraak reeds is geleden en derhalve niet meer toekomstig is. Zie voor kritiek daarop onder anderen Bouman/Tilanus-van Wassenaer, Mon. Nieuw BW B39, tweede druk, nr. 33 onder d en Bouman, "De ivoren raadkamer", VR 1998, p. 4 e.v., m.n. p. 6.