ECLI:NL:PHR:2003:AF7985

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02633/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping noodweerexces bij moordzaak ondanks betwisting schottoedracht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens moord. De verdediging had in hoger beroep een beroep gedaan op noodweerexces, stellende dat de verdachte in een worsteling met het slachtoffer handelingen verrichtte die leidden tot het per ongeluk doden van het slachtoffer.

Het hof oordeelde echter dat de door de verdachte gestelde toedracht van de worsteling niet aannemelijk was geworden, mede op basis van het sectieverslag van de patholoog-anatoom en de verklaring van een getuige-deskundige. Het hof achtte het onwaarschijnlijk dat het slachtoffer van zeer dichtbij in de rug was geschoten, zoals de verdachte had gesteld.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht het beroep op noodweer en noodweerexces had verworpen omdat de feiten niet aannemelijk waren gemaakt en er geen aanwijzingen waren dat de verdachte zich onverhoeds in een situatie bevond waarin hij zich moest verdedigen. Ook werd geoordeeld dat het hof wettige bewijsmiddelen had gebruikt, ondanks dat sommige verklaringen niet in het arrest waren opgenomen maar wel ter zitting waren voorgelezen.

Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf wegens moord blijft in stand.

Conclusie

Nr. 02633/02
Mr Wortel
Zitting: 15 april 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.
2. Namens verzoeker heeft mr. P.L. van Dijke, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat een namens verzoeker gedaan beroep op noodweer of noodweerexces op ontoereikende wijze is verworpen.
4. In het verkorte arrest heeft het Hof het volgende overwogen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer(exces), aanvoerende dat de verdachte in een worsteling met het slachtoffer, waarin de verdachte dreigde door deze te worden doodgeschoten, de hand en de arm van het slachtoffer zodanig wist te draaien dat het latere slachtoffer zichzelf heeft doodgeschoten. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte op verzoek van de advocaat-generaal de situatie feitelijk nagespeeld, waarbij een parketwachter de rol van het slachtoffer heeft gespeeld.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Gezien het sectieverslag van 20 februari 2001 van de patholoog dr Visser (blz. 7 sub B) en de verklaring van de getuige-deskundige Chang van 8 augustus 2002 komt het hof tot het oordeel dat het slachtoffer in de rug is geschoten, waarbij de afstand tussen het vuurwapen en het slachtoffer bij het afgaan van het vuurwapen niet heel kort kan zijn geweest, omdat er geen schotsporen zijn aangetroffen op het jack. Het hof acht de lezing van de verdachte niet aannemelijk geworden.
Nu naar het oordeel van het hof, zoals hiervoor overwogen, de door de verdachte gestelde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden en het hof overigens niet aannemelijk acht dat zich een noodweersituatie heeft voorgedaan, dient zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces te worden verworpen."
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof onduidelijkheid heeft laten bestaan omtrent de grond waarop het verweer is verworpen. Door enerzijds vast te stellen dat de aangevoerde feiten niet aannemelijk zijn geworden, en anderzijds een noodweersituatie niet aannemelijk te achten, zou het Hof in het midden hebben gelaten of de aangevoerde feiten geen noodweersituatie opleveren, dan wel zo een noodweersituatie zich om andere redenen niet heeft voorgedaan.
6. 's Hofs overwegingen moeten worden bezien tegen de achtergrond van hetgeen ter verdediging is aangevoerd. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen is aldaar betoogd dat verzoeker naar het slachtoffer is toegegaan om hem cocaïne te verkopen, en dat het slachtoffer probeerde de cocaïne van verzoeker te stelen. Daarbij zou de worsteling zijn ontstaan die het Hof niet aannemelijk heeft bevonden. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt echter dat verzoeker, enige tijd nadat hij door het latere slachtoffer was 'geript', naar hem toe is gegaan met het plan om hem te "schieten". Daarenboven heeft het Hof vastgesteld dat aangenomen moet worden dat het slachtoffer niet van (zeer) dichtbij is neergeschoten.
7. Daarom moeten deze overwegingen aldus worden verstaan dat de gestelde toedracht van de worsteling niet aannemelijk is geworden, zodat daarin geen noodweersituatie gelegen kan zijn geweest, en dat de door het Hof vastgestelde omstandigheden ook overigens niet aannemelijk maken dat verzoeker onverhoeds terecht is gekomen in een situatie waarin hij zich tegen een aanval moest verdedigen. Aldus verstaan laten deze overwegingen geen onduidelijkheid bestaan over de redenen waarom het beroep op noodweer of noodweerexces is verworpen.
Het middel faalt.
8. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof feiten en omstandigheden voor het bewijs redengevend heeft geacht die niet zijn opgenomen in de gebezigde bewijsmiddelen.
De steller van het middel heeft het oog op een nadere bewijsoverweging, die luidt:
"Uit het sectieverslag d.d. 20 februari 2001 van de patholoog-anatoom dr Visser (blz. 7 sub B) is naar voren gekomen dat het slachtoffer vermoedelijk in de rug is geschoten. Deze vermoedens worden versterkt door het rapport van 14 maart 2001 van de getuige-deskundige Chang alsmede door de verklaring die laatstgenoemde op 8 augustus 2002 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het slachtoffer niet van zeer nabij in de rug is geschoten.(...)"
9. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat het rapport van de getuige-deskundige Chang, alsmede diens bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, niet als bewijsmiddel zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest.
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 oktober 2002 houdt echter in dat de inhoud van bedoeld rapport en de verklaring van de getuige-deskundige aldaar zijn voorgelezen.
11. Aldus heeft het Hof ter ondersteuning van zijn in de bewijsoverweging vervatte oordeel gebruik gemaakt van wettige bewijsmiddelen, waaraan niet afdoet dat de inhoud van die bewijsmiddelen niet is opgenomen onder de bewijsmiddelen, vgl. HR NJ 2001, 35 en HR 27 februari 2001, LJN AB0261.
12. Het tweede middel faalt derhalve eveneens.
13. De beide middelen lenen zich naar mijn inzicht voor toepassing van art. 81 RO Pro.
14. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,