ECLI:NL:PHR:2003:AF8125
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nakoming alimentatieovereenkomst en procedurele bevoegdheid in personen- en familierecht
Partijen, voormalig gehuwd en ouders van twee meerderjarige kinderen, sloten in maart 1992 een overeenkomst waarin de man zich verbond tot betaling van een bijdrage voor levensonderhoud en studie van de kinderen. De man kwam vanaf een bepaald moment in gebreke, waardoor een betalingsachterstand ontstond. De vrouw vorderde nakoming van de overeenkomst via dagvaarding, wat door de kantonrechter werd toegewezen, maar met een beperking van het bedrag tot ƒ 10.000,-.
De man stelde in hoger beroep dat de vordering onontvankelijk was omdat de vrouw niet bevoegd was tot inning en dat de procedure onjuist was ingeleid, omdat alimentatievorderingen volgens artikel 1:406 BW Pro bij verzoekschrift moeten worden ingesteld. De rechtbank verwierp de grieven en bekrachtigde het vonnis, waarbij zij oordeelde dat het een verbintenisrechtelijke kwestie betrof en de dagvaarding terecht was gebruikt.
De Hoge Raad bespreekt de wetsgeschiedenis en jurisprudentie die aangeven dat vorderingen tot nakoming van alimentatieovereenkomsten in het personen- en familierecht bij verzoekschrift moeten worden ingesteld. Desondanks concludeert de Hoge Raad dat de man geen belang heeft bij vernietiging van het vonnis en niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw, omdat de man de nakoming niet betwist en de procedurefout de uitkomst niet zou wijzigen. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis tot nakoming van de alimentatieovereenkomst wordt bekrachtigd.