AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verantwoordelijkheid assurantietussenpersoon bij verzwijging in luchtvaartverzekering
In deze zaak gaat het om de vraag of een assurantietussenpersoon jegens zijn opdrachtgever tekort is geschoten bij het bemiddelen van een luchtvaartverzekering voor een eenmotorig vliegtuig. De verzekeringsovereenkomst werd gesloten tussen Horizon Management B.V. en Verzekeringsmaatschappij De Nederlandse Luchtvaartpool N.V. (NLP). Kort na het sluiten van de verzekering verongelukte het vliegtuig, waarbij schade en letsel ontstonden. NLP stelde dat de verzekering nietig was wegens verzwijging dat de bestuurder geen vliegbrevet had.
De verzekerde vorderde primair een verklaring dat de verzekeringsovereenkomst niet nietig was en betaling van schade van NLP, subsidiair betaling van schade van de assurantietussenpersoon. De Rechtbank wees de vordering tegen NLP af en stelde de assurantietussenpersoon aansprakelijk wegens het niet voldoen aan zijn zorgplicht om de verzekeraar voldoende te informeren om een beroep op nietigheid te voorkomen.
In hoger beroep bevestigde het Hof het oordeel over de assurantietussenpersoon, maar stelde dat de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst tussen verzekerde en NLP vaststaat. De Hoge Raad vernietigde het arrest in de procedure tussen verzekerde en NLP en verwees de zaak terug, omdat nog niet was vastgesteld of de verzekering dekking bood. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de assurantietussenpersoon tegen het arrest over zijn aansprakelijkheid, waarbij het belang van de assurantietussenpersoon bij de vraag of NLP zich terecht op nietigheid beroept, werd besproken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon wegens tekortkoming in de zorgplicht bij het bemiddelen van de luchtvaartverzekering.
Conclusie
Rolnr. C02/010HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 25 april 2003
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of een assurantietussenpersoon jegens zijn opdrachtgever, de verzekeringnemer, is tekortgeschoten in de bemiddeling bij het afsluiten van een luchtvaartverzekeringsovereenkomst. De zaak hangt samen met de zaak rolnr. C02/009HR ([verweerder]/NLP) waarin de Hoge Raad op 18 april 2003 uitspraak heeft gedaan.
2. De feiten waarvan in cassatie moet worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 1 onder a t/m e van het vonnis van de Rechtbank (zie r.o. 3 van het bestreden arrest van het Hof). Zij komen, voor zover thans van belang, op het volgende neer.
(i) Op 10 augustus 1995 is door bemiddeling van thans eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]), die daarbij handelde in opdracht van Horizon Management B.V. (hierna: Horizon), waarvan thans verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) directeur en enig aandeelhouder was, een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen tussen Horizon en Verzekeringsmaatschappij De Nederlandse Luchtvaartpool N.V. (hierna: NLP), die daarbij mede handelde als gevolmachtigd agent van achttien andere assuradeuren. Bij deze overeenkomst is een eenmotorig vliegtuig van het type Ruschmeyer met registratie [001] verzekerd tegen het risico van verlies van en schade aan het vliegtuig (rubriek A), alsmede aansprakelijkheid tegenover derden (rubriek B) en tegenover passagiers (rubriek C).
(ii) Op 14 oktober 1995 is het vliegtuig op het vliegveld Midden-Zeeland verongelukt. Bij het ongeluk is iemand om het leven gekomen, iemand anders gewond geraakt en is schade toegebracht aan het casco van het vliegtuig en aan zaken van derden. Ten tijde van het ongeluk voerde [verweerder] onder leiding van een vlieginstructeur met het vliegtuig een lesvlucht uit ter verkrijging van zijn vliegbrevet.
(iii) Bij brief van 2 mei 1997 aan de raadsman van [verweerder] heeft NLP een beroep gedaan op de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst ex art. 251 K, zulks op de grond dat tegenover haar is verzwegen dat [verweerder] niet over een vliegbrevet beschikte.
3. Bij dagvaardingen van 26 oktober 1998 heeft [verweerder] zowel NLP als [eiseres] voor de Rechtbank te Amsterdam in rechte betrokken en gevorderd - kort gezegd - primair een verklaring voor recht dat de verzekeringsovereenkomst niet nietig is en NLP te veroordelen om aan [verweerder] alle (WA en caso-) schade te voldoen, op te maken bij staat, welke is veroorzaakt door voormeld vliegtuigongeval en, subsidiair (voor het geval NLP "niet - of niet geheel - (aan) haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst hoeft te voldoen"), [eiseres] te veroordelen om aan [verweerder] alle (WA en casco-)schade te voldoen, op te maken bij staat, welke is veroorzaakt door voormeld vliegtuigongeval.
4. Aan de primaire (tegen NLP gerichte) vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat NLP zich ten onrechte beroept op de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst wegens verzwijging, althans dat zij zich daarop niet te goeder trouw kan beroepen, nu [eiseres] zowel door hem als door derden is geïnformeerd over het feit dat hij nog niet over een vliegbrevet beschikte en aangenomen moet worden dat [eiseres] deze wetenschap ter kennis van NLP heeft gebracht. Mocht [eiseres] dit hebben verzuimd, dan mag van NLP als professionele luchtvaartverzekeraar worden verlangd dat zij zich had vergewist van de gegevens die kennelijk, gezien het vragenformulier dat zij pleegt te hanteren, voor haar relevant zijn voor het sluiten van de overeenkomst, aldus [verweerder].
5. Aan de subsidiaire (tegen [eiseres] gerichte) vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [eiseres] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verlangd en jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten omdat [eiseres], die ervan op de hoogte was dat [verweerder] geen brevet had, elke onzekerheid of misverstand bij NLP hierover had moeten uitsluiten.
6. Nadat NLP de primaire vordering en [eiseres] de subsidiaire vordering had bestreden, heeft de Rechtbank bij vonnis van 5 april 2000 [verweerder] in zijn vordering tegen NLP niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze vordering betrekking heeft op de rechten die Horizon aan de verzekeringsovereenkomst kan ontlenen en de vordering tegen NLP voor het overige afgewezen. De vordering tegen [eiseres] heeft de Rechtbank toegewezen.
7. Wat de vordering tegen [eiseres] betreft, overwoog de Rechtbank onder meer dat de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende assurantietussenpersoon mag worden verwacht, meebrengt dat hij aan de verzekeraar voldoende inlichtingen geeft om deze ervan te weerhouden naderhand een beroep op art. 251 K te doen (r.o. 11). Dit betekent, aldus de Rechtbank, dat indien de tussenpersoon niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan uit mag gaan dat de gegevens waarover hij beschikt, volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren voor zover die feiten van belang zijn voor de beantwoording van vragen waarvan hij weet of behoort te weten dat de verzekeraar die met betrekking tot het aangaan van de verzekering stelt. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft [eiseres] aan deze zorgplicht niet voldaan (r.o. 12 en 13).
8. [Eiseres] is van het vonnis van de Rechtbank, voor zover gewezen tussen haar en [verweerder], in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Ook [verweerder] is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de Rechtbank, voor zover gewezen tussen hem en NLP.
9. In het hoger beroep van [verweerder] tegen NLP heeft het Hof bij arrest van 6 september 2001 het vonnis van de Rechtbank, voor zover gewezen tussen [verweerder] en NLP, bekrachtigd. Op het (principaal) cassatieberoep van [verweerder] heeft de Hoge Raad bij genoemd arrest van 18 april 2003 (rolnr. C02/009HR) het arrest van het Hof evenwel vernietigd en het geding verwezen. De Hoge Raad overwoog op het daartoe strekkende middelonderdeel dat - kort gezegd - het Hof ten onrechte het beroep van NLP op nietigheid van de verzekeringsovereenkomst wegens verzwijging gegrond heeft geoordeeld. Voorts overwoog de Hoge Raad dat hij de zaak niet zelf kan afdoen omdat alsnog het verweer van NLP moet worden beoordeeld dat de onderhavige verzekeringsovereenkomst geen dekking bood tegen de gevolgen van het ongeval; de Hoge Raad heeft de zaak daarom verwezen.
10. In het hoger beroep van [eiseres] tegen [verweerder], welk hoger beroep in het onderhavige cassatiegeding aan de orde is, heeft [eiseres] vier grieven aangevoerd, terwijl [verweerder] in incidenteel appel één grief heeft aangevoerd. Voor zover thans in cassatie van belang keerde [eiseres] zich met grief I in het principaal appel tegen het oordeel van de Rechtbank dat NLP zich terecht op nietigheid van de verzekeringsovereenkomst heeft beroepen. Het Hof heeft deze grief verworpen en heeft daartoe overwogen (r.o. 4.1):
"De procedure tussen [verweerder] en NLP is (...) geen rechtstreeks onderwerp van geschil in de rechtsstrijd tussen partijen, zodat op de overwegingen van de rechtbank die betrekking hebben op de relatie [verweerder]/NLP in dit arrest niet wordt ingegaan. Gelijktijdig wordt arrest gewezen in de zaak [verweerder]/NLP en in die zaak is door het hof beslist dat NLP terecht een beroep op artikel 251 K heeft gedaan, zodat die overeenkomst nietig is. Daarvan wordt in deze procedure uitgegaan, zodat grief I geen doel treft."
Ook de overige grieven in het principaal appel faalden naar het oordeel van het Hof. De in het incidenteel appel door [verweerder] aangevoerde grief, gericht op het rechtzetten van een vergissing in het dictum, achtte het Hof evenwel gegrond. Het Hof heeft daarom bij arrest van 6 september 2001 het vonnis van de Rechtbank, voor zover gewezen tussen [eiseres] en [verweerder], met verbetering van het dictum bekrachtigd.
11. [Eiseres] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. [Verweerder] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
12. Het middel neemt in al zijn onderdelen stelling tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 4.1 - met betrekking tot de door [eiseres] in het principaal appel aangevoerde grief I.
13. Onderdeel 1 van het middel neemt tot uitgangspunt dat het Hof heeft geoordeeld dat [eiseres] geen belang heeft bij de vraag of NLP zich terecht op art. 251 K heeft beroepen. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is, aangezien - kort gezegd - de vordering van [verweerder] tegen [eiseres] slechts voor toewijzing vatbaar is indien in hoger beroep in de rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [verweerder] komt vast te staan dat NLP zich terecht op nietigheid van de verzekeringsovereenkomst beroept.
14. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en moet daarom falen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet geoordeeld dat [eiseres] geen belang heeft bij de vraag of NLP zich terecht op art. 251 K beroept, doch heeft slechts beslist dat de overwegingen van de Rechtbank in de procedure tussen [verweerder] en NLP geen rechtstreeks onderwerp van geschil zijn in de rechtsstrijd tussen [eiseres] en [verweerder] zodat op die overwegingen in het onderhavige hoger beroep niet kan worden ingegaan. Het Hof heeft, kennelijk indachtig het subsidiaire karakter dat [verweerder] aan zijn vordering tegen [eiseres] had meegegeven, ermee volstaan te verwijzen naar het gelijktijdig gewezen arrest in de zaak tussen [verweerder] en NLP waarin is beslist dat NLP terecht een beroep op art. 251 K heeft gedaan en heeft deze beslissing tot uitgangspunt genomen in de procedure tussen [eiseres] en [verweerder].
15. Onderdeel 2 van het middel gaat uit van de veronderstelling dat 's Hofs oordeel inzake grief I berust op de opvatting dat de uitspraak in het hoger beroep tussen [verweerder] en NLP omtrent de vraag of NLP zich terecht op art. 251 K beroept, gezag van gewijsde heeft jegens [eiseres]. Volgens het onderdeel is deze opvatting van het Hof in strijd met art. 67 RvPro, aangezien [eiseres] immers geen partij is in de rechtsstrijd tussen [verweerder] en NLP, zodat 's Hofs oordeel in de zaak tussen [verweerder] en NLP jegens [eiseres] geen gezag van gewijsde heeft.
16. Ook dit onderdeel strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet geoordeeld dat de uitspraak in het hoger beroep tussen [verweerder] en NLP omtrent de vraag of NLP zich terecht op art. 251 K beroept, gezag van gewijsde heeft jegens [eiseres], doch heeft slechts geoordeeld dat - zulks kennelijk in verband met het subsidiaire karakter van de vordering van [verweerder] tegen [eiseres] - in de onderhavige procedure als uitgangspunt wordt genomen dat in de zaak tussen [verweerder] en NLP is beslist dat NLP terecht een beroep op art. 251 K heeft gedaan.
17. Onderdeel 3 van het middel gaat uit van nog weer een andere veronderstelling en neemt aan dat het Hof ervan is uitgegaan dat [eiseres] het oordeel van de Rechtbank waartegen grief I zich richt slechts had kunnen bestrijden door zich te voegen in het hoger beroep van [verweerder] tegen NLP. Het onderdeel acht dit door het Hof gekozen uitgangspunt onjuist omdat geen rechtsregel voorschrijft dat de vraag of in de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [verweerder] ervan uitgegaan moet worden dat NLP zich terecht op nietigheid van de overeenkomst heeft beroepen slechts beantwoord kan worden in een procedure waarbij ook NLP partij is.
18. Het onderdeel mist, evenals onderdeel 1 en 2, feitelijke grondslag. Over de vraag of en hoe [eiseres] het door de Rechtbank in de procedure tussen [verweerder] en NLP uitgesproken oordeel dat NLP zich terecht op art. 251 K heeft beroepen, kan aanvechten, heeft het Hof zich niet uitgesproken. Het heeft slechts geoordeeld dat in de onderhavige zaak als uitgangspunt heeft te gelden dat in de procedure tussen [verweerder] en NLP is beslist dat NLP terecht een beroep op art. 251 K heeft gedaan.
19. Onderdeel 4 van het middel is voorgesteld voor het geval de Hoge Raad in het door [verweerder] ingestelde cassatieberoep het tussen [verweerder] en NLP gewezen arrest van het Hof vernietigt en niet langer uitgangspunt kan zijn dat NLP zich jegens [verweerder] terecht op art. 251 K heeft beroepen en dat de verzekeringsovereenkomst nietig is. In dat geval, zo betoogt het onderdeel, kan ook het arrest in de onderhavige zaak niet in stand blijven.
20. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Zoals hierboven onder 9 is vermeld heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 april 2003 het arrest van het Hof in de zaak tussen [verweerder] en NLP vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak niet zelf afgedaan, doch het geding verwezen omdat naar zijn oordeel alsnog het verweer van NLP moet worden beoordeeld dat de onderhavige verzekeringsovereenkomst geen dekking bood tegen de gevolgen van het ongeval. Dit betekent dat in rechte nog niet is vastgesteld dat de primaire (tegen NLP gerichte) vordering van [verweerder] voor toewijzing in aanmerking komt, zodat nog onzeker is of de voorwaarde waaronder [verweerder] de vordering tegen [eiseres] heeft ingesteld (kort gezegd: afwijzing van de vordering tegen NLP) is vervuld.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.