ECLI:NL:PHR:2003:AF8266

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/056HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1053 RvArt. 1065 lid 1 sub d RvArt. 1065 lid 1 sub e RvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 2 lid 1 Wet op het architectenregister
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid arbiter en wijst cassatieberoep af in geschil over architectenovereenkomst

Eiser en verweerder sloten op 23 december 1994 een overeenkomst waarbij verweerder een bouwproject zou uitvoeren. Het geschil over nakoming werd voorgelegd aan een arbiter, die verweerder een bedrag toekende. Eiser stelde dat hij de overeenkomst niet had gesloten indien hij had geweten dat verweerder niet als architect geregistreerd stond en dat hij was misleid door bedrog of dwaling.

De rechtbank wees het verzoek tot vernietiging van het arbitrale vonnis af en oordeelde dat de arbiter bevoegd was om over zijn eigen bevoegdheid te oordelen. Het hof bekrachtigde dit vonnis en verwierp de grieven van eiser, waaronder het gebrek aan motivering en strijd met de openbare orde.

In cassatie betoogde eiser onder meer dat het arbitrale vonnis onvoldoende was gemotiveerd en dat het vonnis in strijd was met de Wet op de Architectentitel en het EVRM. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat het arbitrale vonnis voldoende was gemotiveerd en dat eiser vrijwillig de rechtsmacht van de arbiter had aanvaard. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest dat het arbitrale vonnis bekrachtigt blijft van kracht.

Conclusie

Rolnr. C02/056HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 2 mei 2003
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
[verweerder]
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Eiser tot cassatie, [eiser], en verweerder in cassatie, [verweerder], hebben op 23 december 1994 een overeenkomst gesloten, inhoudende dat [verweerder] in opdracht van [eiser] een bouwproject zal uitvoeren.
In deze overeenkomst is verwezen naar de Standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect (SR 1988).
1.2 [Verweerder] heeft het tussen partijen gerezen geschil over de nakoming van de overeenkomst voorgelegd aan het op grond van de SR 1988 bevoegde Arbitrage-Instituut Bouwkunst.
Bij vonnis van I.N.A.A. Roomans, arbiter, is [eiser] veroordeeld aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 33.254,65 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 1996, en is hij tevens veroordeeld in de kosten ten bedrage van ƒ 10.521,50.
1.3 [Eiser] heeft [verweerder] bij inleidende dagvaarding van 10 maart 1998 gedagvaard voor de arrondissementsrechtbank te Groningen en gevorderd dat de rechtbank het arbitrale vonnis vernietigt en de tenuitvoerlegging schorst totdat over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist.
1.4 [Eiser] heeft daartoe aangevoerd dat hij de onder 1.1 genoemde overeenkomst niet zou hebben gesloten als hij had geweten dat [verweerder] geen architect is, althans de titel architect niet mag voeren omdat hij niet in het architectenregister is ingeschreven en dat [verweerder] niet zou voldoen aan de verzekeringsplicht zoals opgenomen in de overeenkomst.
[Eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij door [verweerder] is bedrogen, althans dat hij door [verweerder] in dwaling is gebracht. Nu op deze grond de overeenkomst van 23 december 1994 dient te worden vernietigd en een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt, had het scheidsgerecht zich, aldus nog steeds [eiser], onbevoegd moeten verklaren.
Daarnaast is volgens [eiser] het vonnis niet met redenen omkleed, althans in strijd met de openbare orde, omdat de arbiter overweegt dat [verweerder] de titel architect mag dragen, welke overweging in strijd is met de artikelen 2.1, 2.2 en 23.1 van de Wet op het architectenregister.
1.5 [Verweerder] heeft verweer gevoerd en gesteld dat hij architect is sinds hij in 1973 zijn diploma behaalde aan de Academie voor Bouwkunst, afdeling Architectuur. Sinds 1 oktober 1993 is iemand op grond van de art. 23 lid 1 en Pro 42 lid 2 van de Wet op de architectentitel uitsluitend gerechtigd de titel architect te voeren als hij onder deze titel staat ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 2 lid 1 van Pro die wet. [Verweerder] was in 1994 niet ingeschreven, maar heeft daar gezien zijn opleiding alle recht op(2). [Verweerder] heeft het beroep op bedrog en dwaling in dit verband weersproken.
1.6 In voorwaardelijke reconventie - voor het geval de rechtbank het arbitrale vonnis zou vernietigen - heeft [verweerder] betaling van het in de arbitrageprocedure toegewezen bedrag gevorderd, vermeerderd met de proceskostenveroordeling.
1.7 Na voortgezet debat heeft de rechtbank bij vonnis van 12 november 1999 de vordering in conventie afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de arbiter op grond van art. 1053 Rv Pro. zelf bevoegd is te oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst, waarvan de arbitrageovereenkomst deel uitmaakt, en daarmee over zijn eigen bevoegdheid en dat de door de arbiter gehanteerde maatstaven noch het resultaat van diens afweging door de civiele rechter inhoudelijk kunnen worden getoetst. Voorts oordeelde de rechtbank dat het arbitrale vonnis voldoet aan de motiveringseisen als gesteld in art. 1065 lid 1 aanhef Pro en onder d Rv. Volgens die bepaling kan een arbiter in beginsel volstaan met een summiere motivering van zijn beslissing. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het arbitraal vonnis in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 1997, NJ 1998, 207 niet in strijd is met de openbare orde.
1.8 [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden en heeft drie grieven tegen het vonnis gericht. [Verweerder] heeft de grieven weersproken.
Bij arrest van 21 november 2001 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.9 [Eiser] heeft tijdig(3) cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] is niet verschenen. [Eiser] heeft het middel schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2 tot en met 5 van het arrest. In deze rechtsoverwegingen behandelt het hof de eerste grief van [eiser], waarin hij klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de arbiter zelf bevoegd is te oordelen omtrent zijn bevoegdheid en die beoordeling niet door de civiele rechter inhoudelijk kan worden getoetst. Het hof heeft het volgende overwogen:
"2. Uit de toelichting op de grief blijkt dat [eiser] het in de grief weergegeven uitgangspunt van de rechtbank wel deelt, maar dat hij van mening is dat de arbiter zijn desbetreffende oordeel (over zijn eigen bevoegdheid) onvoldoende heeft gemotiveerd.
3. Het hof stelt voorop dat de aan de grief ten grondslag liggende vernietigingsgrond, te weten dat het vonnis niet met redenen is omkleed (artikel 1065 lid 1 aanhef Pro en sub d Rv), slechts kan slagen indien elke motivering ontbreekt en dus niet, indien er sprake is van een ondeugdelijke motivering (zie HR 25 februari 2000, NJ 2000, 508). Aan het hof komt derhalve niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond het arbitrale vonnis naar inhoud te toetsen.
4. Het hof stelt vast dat de arbiter in zijn vonnis wel degelijk (en niet onbegrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom zijns inziens het beroep op dwaling van de hand moet worden gewezen (laatste alinea pagina 3 en eerste alinea pagina 4 van het vonnis).
5. De grief faalt".
2.2 Het onderdeel valt terug te voeren op de kernklacht dat het arbitrale vonnis ongemotiveerd is en aldus in strijd is met art. 1065 lid 1 sub d Rv Pro., met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub e Rv Pro.) en voorts in strijd is met art. 6 EVRM Pro.
2.3 Hoewel het cassatieberoep blijkens de dagvaarding - uiteraard - is ingesteld tegen het arrest van het hof, richten de klachten van het onderdeel zich tegen de motivering van het arbitrale vonnis. Dit arbitrale vonnis staat in cassatie echter niet ter beoordeling. M.i. moeten de klachten aldus worden begrepen dat via klachten tegen het arbitrale vonnis wordt opgekomen tegen rechtsoverweging 4 van het arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de arbiter zijn vonnis "wel degelijk (en niet onbegrijpelijk) heeft gemotiveerd". Daarmee staat echter vast dat tegen rechtsoverweging 3, waarin het hof heeft geoordeeld dat voor vernietiging vanwege een motiveringsgebrek is vereist dat elke motivering ontbreekt, geen klacht is gericht.
2.4 Het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4 dàt het arbitrale vonnis is gemotiveerd, is blijkens de pagina's van het arbitrale vonnis waarnaar het hof verwijst juist. Aldus falen de klachten van het onderdeel.
2.5 Onderdeel 2 richt zich tegen de rechtsoverwegingen 6 en 7 waarin het hof het volgende heeft overwogen:
"6. Hetgeen hiervoor met betrekking tot grief 1 is overwogen geldt evenzeer voor het gestelde in grief 2. De betreffende overwegingen van de arbiter hebben immers (zo blijkt uit de midden op pagina 3 van het vonnis weergegeven stelling van "de opdrachtgever" en uit de conclusie van de arbiter in de laatste volzin onder het kopje "Overwegende ten aanzien van de bevoegdheid" (op pagina 4) betrekking zowel op het door [eiser] gedane beroep op dwaling als op het door hem gedane beroep op bedrog.
7. De grief faalt eveneens"
2.6 Het onderdeel betoogt allereerst dat hetgeen in middelonderdeel 1 is gesteld met betrekking tot grief 1 eveneens geldt met betrekking tot grief 2.
Deze klacht faalt op hetgeen hiervóór bij de bespreking van onderdeel 1 is gesteld.
2.7 Voorts klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de arbiter het verweer betreffende het bedrog heeft beoordeeld.
Deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. omdat niet wordt aangegeven waarom dit oordeel van het hof onjuist is(4).
2.8 Onderdeel 3 komt blijkens de aanhef op tegen de rechtsoverwegingen 8 tot en met 14. Het onderdeel heeft echter in feite slechts betrekking op de rechtsoverwegingen 8 en 9, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
"8. De grief berust, blijkens de toelichting op twee pijlers. Het arbitrale vonnis zou in strijd met de openbare orde zijn, enerzijds omdat het vonnis ongemotiveerd is en [verweerder] [eiser] heeft bedrogen en anderzijds omdat in het vonnis, in strijd met de Wet op de Architectentitel, is overwogen dat [verweerder] de titel architect mag dragen.
9. Voor wat de eerste pijler betreft verwijst het hof naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de grieven 1 en 2 is overwogen. Dat het vonnis ook overigens aan een motiveringsgebrek zou lijden is niet als grief opgeworpen.
Bovendien valt niet in te zien dat het arbitrale vonnis, zoals door [eiser] (overigens eerst) ten pleidooie ongemotiveerd is betoogd, in strijd zou zijn met artikel 6 lid 1 EVRM Pro. In ieder geval levert de enkele omstandigheid dat [eiser] door vrijwillige aanvaarding van de rechtsmacht van de arbiters zijn bevoegdheid om de zaak in volle omvang door de gewone rechter te laten beoordelen, heeft verloren, zodanige strijd niet op."
2.9 Het onderdeel betoogt dat [eiser] de rechtsmacht van de arbiter niet vrijwillig heeft aanvaard, zoals het hof heeft overwogen, doch dat hij de rechtsmacht van de arbiter heeft bestreden. Het is - aldus het onderdeel - in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM Pro dat het geschil niet in volle omvang door de gewone rechter kan worden beoordeeld en er geen tweede feitelijke instantie is.
2.10 Het onderdeel faalt. [Eiser] heeft de rechtsmacht van de arbiter, die volgens [verweerder] was gebaseerd op een daartoe strekkend beding in de tussen partijen gesloten overeenkomst, in de arbitrageprocedure weliswaar bestreden met een beroep op dwaling en bedrog, doch dat verweer is door de arbiter verworpen (blz. 3/4). Daartegen gerichte bezwaren van [eiser] zijn door de rechtbank en het hof verworpen. Dat impliceert dat de bevoegdheid van de arbiter is gebaseerd op het beding in de overeenkomst en dat die overeenkomst vrijwillig is aangegaan. Onder laatstgenoemde omstandigheid heeft het hof terecht geoordeeld dat het arbitrale vonnis niet in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM Pro(5).
2.11 Voorts klaagt het onderdeel dat door de arbiter een fundamenteel recht van een behoorlijk proces is geschonden, door niets te overwegen omtrent het gestelde met betrekking tot het bedrog.
De klacht faalt reeds op de grond dat in deze cassatieprocedure niet het arbitrale vonnis, doch - voorzover daartegen klachten zijn gericht - het arrest van het hof ter beoordeling staat.
2.12 Ten slotte klaagt het onderdeel dat de overwegingen 8 tot en met 14 in strijd zijn met het Nederlandse recht en artikel 6 EVRM Pro, zoals blijkt uit het hiervoor gestelde, alsmede in de cassatieschriftuur nader aan te voeren gronden.
2.13 De klacht faalt op de grond dat zij voor wat betreft de verwijzing naar "het hiervoor gestelde" niet voldoet aan de eisen die art. 407 lid 2 Rv Pro. aan een middel stelt en ten aanzien van de verwijzing naar de schriftelijke toelichting op de grond dat deze bepaling voorschrijft dat de dagvaarding (en niet de schriftelijke toelichting, zo voeg ik toe) de omschrijving van de middelen, waarop het beroep, steunt omvat.
2.14 Onderdeel 4 richt zich tegen rechtsoverweging 15 waarin het hof tot de slotsom komt dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd met veroordeling van [eiser] in de kosten. Het onderdeel klaagt dat dit in strijd is met het Nederlandse recht en art. 6 EVRM Pro zoals blijkt uit het hiervoor gestelde en in de cassatieschriftuur nader aan te voeren gronden.
2.15 Het onderdeel faalt op de gronden zoals vermeld hiervóór onder 2.13.
2.16 Nu het cassatiemiddel geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 2 van het vonnis van 12 november 1999 van de rechtbank Groningen en rov. 1 van het arrest van 21 november 2001 van het gerechtshof Leeuwarden.
2 CvA, nrs. 2 e.v.
3 De dagvaarding is op 19 februari 2002 uitgebracht.
4 Vaste rechtspraak, zie recent: HR 4 april 2003, (C02/016) JOL 2003, 208 rov. 3.5 en HR 11 april 2003 (C01/249) JOL 2003, 219 rov. 3.5.
5 H.J. Snijders, Nederlands Arbitragerecht, 2003, blz. 32/33.